Als een leeswijzer
Wie trouw zegt, verplicht zich. Maar wie wil en kan zich verplichten en zijn vrijheid, zijn meest dierbare goed, vastleggen voor iets wat nog moet komen? En waarom trouw, als men niet zeker kan weten of het allemaal wel goed komt? Dan liever slechts een woord als engagement, loyaliteit, een contract tot samenleving voor het merendeel goede, maar ook wel voor niet teveel slechte dagen. Heeft trouw wel de toekomst of – wie kan het zeggen en gelooft erin – behoort de toekomst aan de mens die trouw is? Is alles opzegbaar en houdt uiteindelijk geen woord van belofte en trouw totdat de dood ons scheidt, als elke trouw wezenlijk door het levenseinde ondermijnd lijkt te zijn. Kun je elkaar wel tijd van leven voor eeuwig geven, “for better and for worse”, of verspert de loop van de tijd de weg naar de eeuwigheid?

Deze vragen hangen in de lucht en ieder ademt ze in. Ieder is die mens van onze tijd, getekend door modernisme en postmodernisme, de mens die maakt en afmaakt, houdt en ophoudt in een wereld om van te houden, maar zonder houvast tot het einde. Patrick Lens vertrekt vanuit deze achtergrond van vragen en feiten, verlangens en dromen en zoekt een geschiedenis te beschrijven van heil, vanuit Gods geschiedenis met de mens van nu met zijn ervaren ontbreken van ondervonden trouw en afbreken van wat verplicht in maatschappij en persoonlijke biografie.

Gods heilsgeschiedenis daarentegen is zo trouw aan de mens dat Hij nog verder gaat dan het kwaad en aldus de ontrouw van de wereld en van de mens betrekkelijk maakt. Het volhouden van God bepaalt hoezeer Hij van ons houdt, tot ons heil. Na deze fundamenteel-theologische en Bijbelse invalshoek geeft Herman De Dijn een filosofische analyse van de trouw als fundament. Hij laat vanuit vele invalshoeken zien dat de trouw aan concrete waarden en betekenissen toch de basis kan zijn van een “universele ethiek”. De grote “trouw” behoort niet alleen maar tot de “grote verhalen” die toch niet meer kunnen bestaan, maar laat zich openbaren en onthullen in het vertrouwd en getrouwd zijn met wat ons in het geringe van elke dag oproept en om antwoord vraagt. Vanuit een contrasterend, dwarsliggend denken komt ook de vreemde uitstraling van de trouw onverwacht naar voren.

Peter Westerman laat in zijn bijdrage over de Colombiaanse filosoof Nicolás Gómez Dávila (1913-1994) zien hoe diens “opstandig en gelovig denken” een ruimte kan bieden voor het zo aan de moderniteit vreemde begrip van trouw. Het motto van dit artikel, een citaat van deze “dwarsdenker”, die zichzelf de eretitel van reactionair toekende, geeft de achtergrond voor vele, aforistische opmerkingen over God, geloof en religie. Het motto luidt: “Ik behoor niet tot een wereld die voorbijgaat. Ik verleng en lever een waarheid over die niet sterft”.

Bonifacio Honings beschrijft de trouw van de mens aan God en blijft daarbij heel dicht bij de tekst van de heilige Schrift en de leer van de Kerk. Als moraaltheoloog die betrokken was bij het tot stand komen van de Catechismus van de Katholieke Kerk, maakt hij transparant hoe van de mens een trouw gevraagd wordt die tot stand kan komen en kan blijven met de hulp van het sacrament dat de genade van het nieuwe en eeuwige Verbond tot vergeving van zonden uitmaakt. De geboorte van de mens doet deze binnentreden in een wereld van ontrouw en verraad. De hergeboorte uit Gods genade brengt tot trouw, die een mens eeuwig jong houdt tot voor Gods aanschijn. De volgende twee bijdragen maken concreet hoe trouw in gebed en viering alsook in het leven in de Kerk als gemeenschap van heiligen en in dat van de afzonderlijke christenmens aan het licht komt.

De liturgist Jo Hermans beschrijft aan de hand van een liturgisch ceremoniëel “modus separandi leprosos” in het Parochiale van het toenmalige bisdom Luik (1592) de zorg en trouw aan mensen die door hun melaatsheid noodgedwongen in afzondering moesten leven. In dit liturgische formulier wordt aangegeven hoezeer trouw aan God en mens de maatschappelijke uitgestotene wil behoeden en de ontrouw van anderen en de eigen ziel tegemoet wil treden. Als noodgedwongen de zieke de vertrouwde menselijke samenleving moet verlaten, wil men God afbidden en de medemens voorhouden hoezeer trouw van God en van de medemens een mens ter zijde mag en moet staan op leven en dood, naar lichaam en ziel. Trouw tot in de dood, uiterste trouw aan God en de mensen kan betekenen dat een christenmens zijn leven moet geven, overigens slechts in het spoor van de Heer en Herder van alle trouw.

A.-M. Jerumanis beschrijft het martelaarschap van Boleslas Sloskans, die als bisschop uit de Baltische republiek Letland jaren heeft doorgebracht in de goelag van het communisme van de hevige jaren dertig en na de tweede wereldoorlog als balling in België verbleef tot aan zijn dood in 1961. Hij is een hinderlijk getuige die wil en blijft herinneren dat geen vrede te nemen is met halve waarheden, trouweloze compromissen en halfslachtige woorden en daden, gemengd met trouw en ontrouw. Het echte geloofsgetuigenis is voor de christen niet “optioneel”, maar maakt deel uit van zijn identiteit. Dit geschiedt niet op de wijze van terroristen die getuigen van de ontrouw aan de mens door haat en moordzucht, maar in de liefde en bereidheid het leven te geven. De aanloop tot zijn zaligverklaring wordt tevens beschreven in de hoop dat deze geloofsgetuige vanuit de eeuwige trouw ons kan inspireren om niet te vergeten.

Ter actualisering en los van het thema wordt in deze aflevering nog een kleinere bijdrage toegevoegd. Heel recent is het postsynodale schrijven van paus Benedictus XVI, Sacramentum caritatis, over de Eucharistie verschenen. Een eerste kennismaking met de inhoud en enige korte bemerkingen over opvallende accenten en veranderingen worden hier bijeengebracht door Jo Hermans, die zelf als peritus aan deze bisschoppensynode in de herfst van 2005 heeft deelgenomen.

Tenslotte nog in eigen zaak. Ons tijdschrift heeft, naast de omslag van elke aflevering, de website volledig aangepast en vernieuwd met alle nieuwe en veranderde (!) gegevens en adressen, die nodig zijn om redactie, secretariaat, abonnementenadministratie te bereiken. Hiermee kunnen ook enige kinderziekten die waren opgetreden bij een recente herstructurering van dit tijdschrift, opgelost worden. Tevens zijn twee bijdragen toegevoegd van de hand van Hans Urs von Balthasar, diens “Leitartikel” als uitgangspositie voor alle edities van Communio, en de inleiding van Joseph Ratzinger bij het twintigjarige bestaan van Communio. We hopen uiteraard nog vele jaren door te gaan in trouw aan de hier beschreven uitgangsposities. Ondertussen kan de geïnteresseerde lezer tevens nog nakijken in het toegankelijke register wat in de afgelopen dertig jaar in de Nederlandstalige editie is verschenen over de meest uiteenlopende onderwerpen. De trouw aan wat gepubliceerd is, verplicht ons aan de toekomst.

Meer uit deze jaargang: