Inleiding

Nu de serie over de wezenlijke kenmerken van de Kerk is afgelopen, heeft de internationale redactie van ons tijdschrift een nieuw thema vastgesteld voor een meerjarige serie. In de komende jaren zal telkens het eerste nummer van het jaar in het teken staan van een van de beden van het Onzevader. Dit eerste nummer van 2015 gaat dan ook over “Onze vader in de hemel”, de opening van het Gebed des Heren dat Jezus zelf aan zijn leerlingen leerde (Mt. 6,9 par.). Dit nummer verschijnt op een moment dat er in het Nederlandse taalgebied veel discussie is over de vertaling van het Onzevader. Veranderingen in een gebed dat zo diep geworteld is in de traditie van veel gelovigen en zelfs randkerkelijken, liggen nu eenmaal gevoelig. Tegelijkertijd vraagt het feit dat Jezus zelf dit gebed aan zijn leerlingen leerde, om een bijzondere zorgvuldigheid in het vertalen en om een grote eerbied voor dat wat er in de grondtekst staat.

Dat dit nummer in het teken staat van het Onzevader houdt geen verband met de vertaaldiscussie, en het wil daar ook geen bijdrage aan leveren. Het is om een andere reden dat een bestudering van het Gebed des Heren heel geschikt is voor enkele thematische afleveringen. Juist het feit dat we zo vertrouwd zijn met het Onzevader en dat we het gebed zo bijzonder vaak uitspreken, kan ook zorgen voor een zekere oppervlakkigheid en een noodzaak om opnieuw de aandacht te vestigen op het gebed dat Christus ons zelf heeft geleerd.

Deze aflevering gaat dus over de eerste bede van het Onzevader. Daarbij draait het natuurlijk om de vraag wat het eigenlijk voor ons als christenen betekent, dat we God ‘Vader’ mogen noemen. Het is voor ons dan wel een heel gewone uitdrukking, maar als we het christendom plaatsen in een vergelijking met de grote godsdiensten, dan blijkt hoe bijzonder het is dat we als kinderen van God ‘Vader’ mogen zeggen. Enkele vragen die dit mooie gegeven oproept, proberen we in dit nummer aan de orde te stellen.

In de eerste plaats kijken we naar het gebed op zich, in een artikel van Régis de la Haye over de moeilijkheid van het vertalen van het Onzevader. Iedere poging om de woorden die Jezus heeft uitgesproken te vertalen naar onze eigen taal heeft tekortkomingen. Als we dan weten wat er eigenlijk staat, dan komen we uit bij de vraag wat het nu eigenlijk betekent dat God Vader is. Martijn Schrama geeft ons een inkijk in de theologie van Augustinus en laat ons zien wat het voor deze kerkvader betekent dat we geloven in God de Vader. Herwi Rikhof plaatst dit vervolgens in een bredere context, als hij ingaat op het vaderschap binnen de drie-eenheid. Hij beschrijft de betekenis van de relatie die maakt dat we God Vader noemen.

Marc Steen plaatst het Onzevader in de bredere context van heel de H. Schrift en hij verduidelijkt hoe God, Vader, al op verschillende plaatsen in de Bijbel duidelijk beschreven wordt. Vervolgens concentreert Helen Mardaga zich in een exegetische bijdrage op de bijbeluitleg van het Onzevader zelf.

Natuurlijk roept het Onzevader ondanks alle uitleg over de woorden van Jezus en de situering binnen de H. Schrift als zodanig, toch nog steeds vragen bij ons op omdat het begrip van het vaderschap erg gekleurd is door persoonlijke ervaringen en door culturele achtergronden. Vandaar dat het heel goed is dat Johan Van der Vloet ons een inzicht geeft in de problematiek van de meest fundamentele geloofsbegrippen. Hoe verstaanbaar zijn ze nog? En daarnaast gaat Karel Wiecherink in op de kenmerken van het vaderschap in onze tijd. Ook Hanna-Barbara Gerl-Falkovitz en Hans-Bernhard Wuermeling gaan in een – eerder in het Duits gepubliceerd – artikel in op de betekenis van het vaderschap.

Moge dit nummer ertoe bijdragen dat we onze God met meer liefde en vertrouw ‘Vader’ kunnen noemen en dat we ons meer en meer geborgen mogen weten in zijn liefdevolle en zorgzame vaderhart, dat alle kostbare en goede eigenschappen van een liefdevolle moeder tegelijk in zich draagt.

Veertigste jaargang

Dit nummer over het Onzevader opent alweer de veertigste jaargang van Communio. We zijn onze stichters zeer dankbaar voor het vele werk dat ze hebben verricht om Communio een plaats te geven in Nederland en Vlaanderen. De doelstelling van Communio is dezelfde gebleven: het katholieke geloof in dialoog brengen met de cultuur van vandaag. Juist in een tijd van verschraling en van teruggang van het geloofsleven willen we proberen om in deze tijd iets van de schoonheid en de kostbaarheid van het geloof te laten ervaren.

Deze nieuwe jaargang van Communio begint al meteen met een extra dik nummer. De kopij voor de eerste aflevering van 2015 liet niet toe dat we artikelen konden inkorten of doorschuiven. Het is ook wel gepast om deze veertigste jaargang vol enthousiasme en met extra leesplezier te beginnen. Mogen er nog vele jaargangen volgen waarbij we in ‘communio’ ons geloof verdiepen, onze horizon verbreden en tot vreugde van lezers en auteurs aandacht blijven hebben voor de plaats van het geloof in onze tijd.

Namens de redactie,

Dr. Lambert Hendriks

Uit de huidige jaargang: