Met dit thema voor de tweede aflevering in 2006 van het tijdschrift Communio wordt een erg breed terrein betreden. Het gaat om de rechten van de mens die gerespecteerd en zo nodig ook rechtens afgedwongen moeten kunnen worden. Op deze rechten mag elke mens aanspraak maken, omdat hij mens is, maar ze moeten door dezelfde mens ook aan anderen worden toegestaan.

In een kleiner wordende wereld wordt de mensenfamilie groter en veelvormiger. Conflicten liggen dan voor de hand. Na twee wereldoorlogen en talloze daarop volgende conflicten waarbij continenten en religies zijn betrokken, rijst de vraag of we als samenleving zelfs nog maar kunnen overleven. Tegelijk wordt er met verantwoordelijkheid, moed en inzicht gewerkt, opdat het leven van de mens een plaats kan vinden binnen een samenleven dat méér inhoudt dan enkel een naast elkaar leven volgens ras, stand, godsdienst, macht en invloed, gezondheid en leeftijd.

De eerste bijdrage voert binnen in de grote vraagstukken omtrent mensenrechten en de culturele en maatschappelijke diversiteit (J. Wouters en A. Vidal).
Een tweede fundamentele bijdrage (K. Ballestrem) schetst het belang en de wereldwijde snelle opkomst van de mensenrechten in de laatste decennia en, vanuit een lange voorgeschiedenis, de receptie hiervan binnen de katholieke Kerk. Terwijl sommige hedendaagse mensenrechten (niet alle!) gedurende lange tijd weerstand ondervonden binnen de katholieke Kerk (bv. godsdienstvrijheid, democratie en soevereiniteit van het volk), bevatten zij toch ook veel authentiek christelijk gedachtegoed. Daarom kan de vraag naar de mensenrechten binnen de katholieke Kerk niet ontbreken – en nog minder een antwoord hierop.

De samenleving wordt gedragen door het grondbeginsel dat de mens niet alleen medemensen heeft, maar ook zelf een medemens is voor anderen. Een sociale filosofie, zoals deze in de afgelopen eeuw bij katholieke denkers is ontwikkeld, vormt mede een grondslag voor de sociale leer van de Kerk (A. Flapper).

De ordening van een samenleving en het vastleggen van mensenrechten is geen abstracte discipline vol filosofische bespiegelingen of theologische opdrachten. Daarom enige bijdragen, die duidelijk maken op welke moeilijkheden en aporieën we stuiten wanneer de theorie in de praktijk omgezet wordt.
De samenleving vereist een ordening vanaf het moment dat een nieuw menselijk wezen ontvangen wordt. De biomedische wetenschap vraagt niet alleen om ethiek, maar daarnaast ook steeds meer om goede wetgeving en rechtspraak. Op welke rechten kan een mens aanspraak maken in het stadium van bevruchte eicel? Het is de vraag naar een rechtsorde waarin de mens gewaardeerd wordt als een wezen dat zichzelf overstijgt. Wil men recht doen aan deze ‘heilige reserve’ van de mens, zal men moeten erkennen dat de naar rechtspositivisme neigende tendens bij wetgevers, juristen en politici in Nederland en Vlaanderen ook zijn grenzen heeft. Voor de komende tijd is het een grote uitdaging voor juristen om in deze zin aan het leven en aan het samenleven recht te doen (D. Pessers).

Een tweede aspect is het samenleven van mensen met een andere godsdienstige en culturele achtergrond. De Libanese jezuïet en islamkenner S. Khalil Samir ziet in de confluctuerende verhouding tussen Europa en de islamwereld een oproep, een kans én een uitdaging tot integratie– niet zonder grote obstakels, maar ook niet zonder uitzicht. De Vlaamse islamoloog J. Van Reeth stelt pertinente vragen vanuit recente islamstudies over het statuut van het boek van de Koran. Is dit letterlijk ‘met letter en al’ uit de hemel gevallen of vormt het de historische verwerking van een godsdienstige inspiratie? En wat zijn daarvan de theologische gevolgen? Niet als een bedreigende vraag bedoeld, maar als een oproep tot intellectuele eerlijkheid en rekenschap. Islamgeleerden komen met duidingen die de wereld van dit heilig boek in gesprek kunnen brengen met andere Schriftreligies.

Meer uit deze jaargang: