Perspectieven ter introductie op sluiting van kerkgebouwen
Begin 2012 werd in de Nederlandse krant Trouw een korte discussie gevoerd over het aantal te sluiten kerkgebouwen in de komende jaren. De aanleiding daarvoor was de presentatie van de cijfers van de actie Kerkbalans (www.kerkbalans.nl). Dit is de jaarlijkse fondsenwervingsactie van een aantal christelijke kerken, waarbij de gelovigen middels persoonlijke mailing en landelijke publiciteitsacties worden opgeroepen om geld te doneren aan de plaatselijke geloofsgemeenschap. Het begin van de actie in januari wordt meteen gebruikt voor de presentatie van de opbrengsten van het jaar ervoor en voor een presentatie aan het grote publiek van de staat van kerkelijk Nederland. Het zal niemand verbazen dat de op- brengsten van deze vrijwillige actie sterk beïnvloed worden door de gunst van het publiek, en dat die door de berichten in de media over seksueel misbruik, hostie-weigerende pastoors (Sengers 2010), de schorsing van een pastoor die een uitbundige oranjemis hield op het WK voetbal, berichten over censuur op liederen van Huub Oosterhuis en dergelijke meer sterk onder druk staan. De grootste kostenpost van de kerken zijn de – vaak monumentale – gebouwen. Die drukken door verwarming, verzekering, onderhoud en zoveel meer zwaar op de begroting van de geloofsgemeenschappen, en daarmee op de leden daarvan. De discussie in Trouw ging dan ook over de vraag wat de dalende inkomsten betekenen voor het bestand aan kerkgebouwen in Nederland. Er wordt namelijk verwacht dat de daling van het aantal in gebruik zijnde kerkgebouwen snel en in de nabije toekomst nog sneller gaat, maar – zo meldde zich de verzekeraar van kerkgebouwen Donatus in het gesprek – het gaat helemaal niet zo snel als de publieke opinie wel eens denkt. Veel kerkgebouwen zijn monument en kunnen niet eenvoudig worden verkocht, geloofsgemeenschappen vinden creatieve wegen om het onderhoud te kunnen betalen, de vastgoedmarkt loopt over het geheel niet goed, en andere redenen zorgen ervoor dat het met het aantal kerken dat afgestoten wordt, onttrokken aan de eredienst, niet zo’n vaart loopt. Waarmee de problemen natuurlijk niet verdwenen zijn.

Het is in het kader van deze ontwikkelingen dat Communio een belangwekkend themanummer uitbrengt over kerksluiting. Belangwekkend, omdat met dit onderwerp verschillende aspecten bij elkaar komen en met elkaar kunnen botsen. Een eerste aspect is de materialiteit van het gebouw, waar “wat” mee moet gebeuren. Maar een gebouw heeft vaak ook een architectonische, monumentale, economische of cultuurhistorische waarde. Dit impliceert dat niet alleen de Kerk of de geloofsgemeenschap, maar ook de burgerlijke overheid, de samenleving als geheel en belangengroepen een woordje mee willen praten. Verder heeft een gebouw een emotionele waarde voor de plaatselijke geloofsgemeenschap. Het is de plek waar gedoopt en getrouwd is, waar begraven is, waar gebeden is, waar feesten als eerste communie en vormsel gevierd zijn. Mensen verbinden iets met een gebouw en vragen zich af hoe “het” (het geloof, het vieren, het gemeenschap zijn) dan verder gaat.

Hiermee komen we meteen op het derde maar niet het minst belangrijke aspect: de theologische of gelovige waarden. Zeker in de katholieke Kerk is een gebouw niet zomaar een gebouw, maar het huis van God, de plaats waar Jezus in het heilig Sacrament wordt bewaard, de ruimte waar het volk van God samenkomt om de geheimen van het geloof te vieren. Dat vereist een zorgvuldige omgang met het gebouw door de verantwoordelijken, ook nadat het niet meer als verzamelplaats dient. In deze bijdrage wil ik allereerst de stand van zaken presenteren waar het gaat om de ontwikkeling van het aantal kerkgebouwen. Daarbij wil ik een onderscheid maken tussen Nederland en België (Vlaanderen) in de presentatie van de gegevens. Daarna wil ik enige sociologische en theologische gedachten over het thema geven, om de gegevens in een perspectief te zetten en als opmaat voor het nummer. Als laatste zal ik het themanummer kort inleiden, iets wat mij zeer vereert.

Kerkgebouwen: stand van zaken
In de ontwikkeling van het aantal kerkgebouwen in Nederland en in België kunnen we naar verwachting enkele verschillen tegenkomen. De verschillen zitten er vooral in, dat de Kerk in België veel minder kerkgebouwen zal (moeten) afstoten dan in Nederland. Daarvoor zijn diverse redenen te bedenken. De Kerk in Nederland moet immers zelf opdraaien voor de kosten van onderhoud en gebruik, terwijl de Kerk in België een subsidie krijgt voor de gebouwen. Aangezien de katholieke Kerk in België niet te maken heeft gehad met de reformatie, is verder aan te nemen dat er daar meer gebouwen zijn die door de overheid zijn aangemerkt als monument, en daardoor onder de zorg van die overheid vallen. Wat misschien ook meespeelt, is dat de kerken in Nederland relatief duur zijn in het onderhoud, omdat er met name op de slappe bodem in het westen van het land veel kerken in korte tijd gebouwd zijn, in niet altijd even goede kwaliteit (zie Landheer 2004).

Kortom, er zijn redenen om te verwachten dat in België minder kerken gesloten worden. Nederland De gegevens voor Nederland worden al vele decennia bijgehouden door het sociaalwetenschappelijke onderzoeksbureau KASKI in Nijmegen (www.kaski.ru.nl), dat zo vriendelijk was mij de laatste gegevens ter beschikking te stellen. Dat bureau baseert zich op de officiële cijfers van de Rooms-Katholieke Kerkprovincie, die daarmee een hoge betrouw- baarheidswaarde hebben. De indruk, dat het “‘wel meevalt” met het aantal gesloten kerken lijkt te kloppen maar, volgens een goede sociologische wijsheid, het hangt af van de manier van presenteren hoe de cijfers gewaardeerd worden.

Laten we eerst een algemeen overzicht geven. Over de periode 1977-2011 zijn er in Nederland 288 kerkgebouwen door de bisdommen onttrokken aan de eredienst (de cultusplaatsen in kloosters, vormingscentra, inrichtingen zijn niet meegenomen in de telling). Dat zijn er heel veel, maar we moeten bedenken dat het hier gaat over een periode van 34 jaar, dus langer dan één generatie. Gemiddeld werden in Nederland in deze periode 8,47 katholieke kerken per jaar gesloten.  Verder valt het op dat er grote verschillen zijn per bisdom. Omdat het aantal gesloten kerken per jaar sterk fluctueert en afhankelijk is van vele factoren (bureaucratische, ambtelijke, procedurele, economische) die niet zozeer samenhangen met een chronologische ontwikkeling, is het ook hier het beste te kijken naar de gemiddelden per bisdom. Het is met andere woorden niet zo gemakkelijk te verklaren waarom in een bepaald bisdom het ene jaar zes en het volgende jaar geen enkele kerk gesloten wordt. Over de lange periode zien we echter enkele trends. Zo wordt het voorzichtigst omgegaan met kerksluiting in het bisdom Groningen (een halve kerk per jaar), terwijl blijkbaar het meest gesaneerd moest worden in het bisdom Den Bosch (bijna 2,3 kerk per jaar). De overige bisdom- men zitten op ruim één kerk per jaar, maar Rotterdam zit er weer gevoelig onder met 0,74 kerk per jaar.

Hier spelen zeker historische aspecten een rol. Zowel het bisdom Groningen als het bisdom Rotterdam zijn jonge bisdommen (gesticht in 1954) in een sterk protestantse omgeving. Onderzoek wijst uit dat in een dergelijke omgeving een minderheid meer zijn best moet doen om zich te behouden, en daardoor meer betrokkenheid genereert (Sengers 2003). Dit zorgt er natuurlijk voor dat minder snel gebouwen moeten worden gesloten. Het bisdom Den Bosch komt echter uit een situatie waarin de katholieke Kerk volkskerk was, met een overvloed aan kerkgebouwen (en daarnaast nog cultusplaatsen in kloosters en congregaties). In een situatie van overvloed is de betrokkenheid vaak lager, waardoor op termijn meer gesaneerd moet worden. Aan de andere kant zeggen absolute aantallen ook weer niet al te veel. Het bisdom Groningen begon met weinig kerkgebouwen, en kan er dus ook minder sluiten, terwijl het bisdom Den Bosch er veruit de meeste heeft. Behalve naar de absolute aantallen moeten we voor een goed beeld daarom ook kijken naar de relatieve veranderingen. Dan blijken de bisdommen opmerkelijk parallel te lopen. In 2010 was het aantal kerkge- bouwen in heel Nederland 85% van het aantal in 1980, 86% van dat in 1990 en 90% van dat in 2000. De bisdommen lopen met die cijfers ten opzichte van elkaar weinig uit de pas.

Een andere vraag is of het afstoten van kerken in een bepaalde periode sneller of minder snel is gegaan, en of er daar verschillen zijn tussen de bisdommen. Tussen 1980 en 1990 is het aantal kerkgebouwen nog redelijk stabiel. Sommige bisdommen zoals Rotterdam en Breda groeien zelfs! Tussen 1990 en 2000 treedt echter een kentering op. Sommige bisdommen zoals Groningen, Haarlem, en Breda stoten tussen de vijf en tien procent van hun kerkgebouwen af, de overige zijn wat voorzichtiger. Maar tussen 2000 en 2010 vindt een ware kaalslag plaats. Rotterdam en Breda stoten in deze periode bijna 15% van de kerk- gebouwen af, Groningen Haarlem en Den Bosch elk 10%. De conclusie voor Nederland is dus gemengd, maar het venijn zit in de staart. Als we kijken naar absolute aantallen en naar korte periodes, dan valt het aantal kerksluitingen reuze mee. Het gaat om één a twee kerken per jaar per bisdom. Dat is weliswaar genoeg om een schok teweeg te brengen in de gemeenschap die het betreft, maar over het algemeen zijn dit overzichtelijke aantallen. Ook zijn de gegevens per bisdom niet echt afwijkend. Natuurlijk is het ene bisdom groter dan het andere, maar procentueel bekeken kunnen we niet zeggen dat in het ene bisdom een sterker beleid heerst wat sluiting betreft dan in het andere. Landelijk bekeken worden er procentueel gemiddeld per bisdom evenveel kerken gesloten.

Wel opvallend is dat de laatste tien jaar plotseling procentueel beduidend veel meer kerken gesloten zijn. Daarvoor kunnen verschillende redenen aangevoerd worden, die te ver voeren om in dit artikel behandeld te worden (secularisatie, polarisatie, vergrijzing, verarming, stijgende kosten, minder subsidies). Maar als deze trend doorzet, dan is in 2020 het Nederlandse landschap van kerkgebouwen behoorlijk en ingrijpend veranderd.

België
De situatie voor België is statistisch minder goed beschreven. Ondanks herhaalde pogingen om cijfers boven tafel te krijgen, is het me binnen de gestelde tijd voor dit artikel niet gelukt. Deze paragraaf zal ik daarom schrijven op basis van wat de informanten mij vertelden en enkele recente krantenberichten. Daarmee hoop ik een aardig inleidend overzicht te kunnen geven dat ingaat op de hoofdvragen van dit artikel. Een informant vertelde mij dat er in Vlaanderen 1800 door de overheid erkende kerkgebouwen zijn (we zien hierboven dat dit er meer zijn dan in heel Nederland!).

Voor de Nederlandse lezer mag het verbazen dat kerkgebouwen erkend moeten worden, maar dat is van belang vanwege de subsidies die naar kerkgebouwen, kerkgenootschappen en religieuze voorgangers gaan: alleen erkende gebouwen en genootschappen genieten die. Ook daarmee zijn we in Nederland onbekend. Het is een gevolg van de Franse tijd, rond 1800, toen de overheid de goederen van de Kerk in beslag nam en als tegenprestatie moest zorgen voor het onderhoud van de kerk. 1800 kerkgebouwen dus, waarvan er – zo voegde mijn informant toe – de afgelopen jaren slechts enkele aan de eredienst zijn onttrokken. Dat is ook begrijpelijk, want het onderhoud van een kerkgebouw is niet afhankelijk van het kerkbezoek en het sluiten van een gebouw door de overheid kan kiezers kosten.

Een andere informant vertelde me wel dat er een schrijven is van de minister om “een rationalisering te bewerkstelligen”, zoals de informant het uitdrukte, wat erop neer zal komen dat het aantal verminderd moet worden met het oog op bezuinigingen – de problemen van de Belgische regering op dit gebied zijn bekend. Die bezuiniging is wel begrijpelijk als we kijken naar de staat van betrokkenheid bij de Belgische Kerk. Een opiniepeiling eind vorig jaar wees uit dat 8,7% van de Belgen praktiserend katholiek is, 32% noemt zich niet-kerkelijk en 9% noemt zich atheïst. Onder jongeren (geboren na 1984) zegt 70% geen band met de Kerk te hebben. Voor de nabije toekomst zal de druk op de kerkgebouwen daarmee alleen maar toenemen. Met de aanwas van nieuwe kerkleden (afgezien van de kinderdoop) loopt het niet zo storm. De laatste jaren werden in België 150 volwassenen gedoopt, terwijl nog eens 100 als volwassene het sacrament van het vormsel ontvingen. Dat is niet genoeg om de uittocht tegen te gaan.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat de Franstalige socialistische partij pleit voor onderzoek naar niet-religieus gebruik van kerken en voor het beperken van de subsidies. Het gevolg is dat, zoals een informant het me schreef, er veel parochiekerken een “virtueel bestaan leiden”, met name in de Franstalige gebieden gaf hij aan. Het is bekend dat de kerkgang daar lager is dan in Vlaanderen, waar de katholieke Kerk bij de emancipatie van deze taalgroep een belangrijke rol heeft gespeeld. Een virtueel bestaan, omdat ze zoals hij schreef, vaak slechts eenmaal per jaar gebruikt worden voor een doopviering of huwelijksviering “op speciaal verzoek van de lokale bevolking”. Ook gaf hij aan dat het begrip “parochiekerk” relatief is omdat één pastoor vaak meerdere kerken moet bedienen (we kennen het verschijnsel ook in Nederland), en wat is dan de “parochiekerk”? Hij heeft gelijk, dat moet men opnieuw definiëren.

Verder schreef deze informant: “De Belgische kerkprovincie is zeer weigerachtig om parochiekerken af te stoten. Ook als ze misschien maar één keer per jaar gebruikt worden, dan nog blijven ze geregistreerd als parochiekerk”. Hier zien we de bevestiging van één van de hypotheses: de Kerk heeft geen belang om kerken af te stoten, het initiatief moet van de overheid komen en wil die zijn vingers eraan branden? In dat kader verbaasde me het krantenbericht dat ik las in Het Belang van Limburg: vicaris D’Huys zei in een interview dat het bisdom Hasselt 80 van de 310 kerken wil openhouden. Dat betekent driekwart sluiten, radicaler dan in Nederland! Het ontbreekt mij echter aan mogelijkheden de achtergronden van dit bericht te achterhalen.

In ieder geval: zowel van burgerlijke zijde als van kerkelijke zijde is er blijkbaar druk om kerkgebouwen af te stoten, waarmee de vragen die in Nederland spelen ook in België op de agenda komen. Gedachten bij kerksluitingen Zowel in België als in Nederland staat het aantal in gebruik zijnde kerkgebouwen dus stevig onder druk. Misschien gaat de ontwikkeling in België minder snel of op een andere manier, maar ook daar stelt zich de vraag wat te doen met de vele kerkgebouwen die nauwelijks gebruikt worden, of niet optimaal gebruikt worden. En dit is geen vraag die uniek is voor de lage landen, maar zich (op steeds andere manier) stelt in alle West-Europese landen.

In willekeurige volgorde wil ik hierbij een aantal kwesties behandelen, waarbij ik geenszins claim alle kwesties te behandelen die er rondom kerkgebouwen spelen. Wat ik wel wil doen is laten zien hoe ingewikkeld die kwesties zijn, omdat er verschillende zienswijzen op hetzelfde fenomeen zijn. Ik probeer daarin geen partij te kiezen, maar de kwestie te laten spreken. Het spreekt daarom voor zich dat wat ik hieronder opschrijf, geenszins bedoeld is als verdediging van of inspiratie voor beleid, iets waar ik als socioloog niet voor gekwalificeerd ben.

Wel wil ik soms vragen stellen bij de uitgangspunten van beleid, om de verantwoordelijken daarvoor te helpen hun keuzes goed te formuleren. Eigenlijk de enige partij die ik kies is het gebouw zelf, omdat ik meestal onder de indruk ben van zijn schoonheid, zijn geschiedenis, zijn betekenis. Daarom wil ik vragen stellen over de betekenis van het gebouw voor de geloofsgemeenschap, over de belanghebbende partijen bij kerkgebouwen, de opvattingen over herbestemming, en de vraag of de overheid moet bijspringen.

De eerste vraag die ik wil stellen is wat de plaats is van een gebouw voor de geloofsgemeenschap. Voor de geloofsgemeenschap hangen kerkgebouw en parochie vaak heel sterk samen. Dat is ook wel begrijpelijk, beide dragen immers vaak dezelfde naam en het gebouw is de plaats waar de gemeenschap verzamelt en alle hoogte- en dieptepunten van het leven viert en met elkaar deelt. Het gevoel is dan vaak dat als het gebouw moet sluiten, het ook “einde oefening” is voor de parochie. Nogmaals: begrijpelijk, maar ik vind ook dat we wat moeten loskomen van onze “verslaving” aan gebouwen. Op een studentenconferentie zong ik eens een lied mee dat is gebaseerd op 1 Petr. 2, 5: “Laat ook uzelf als levende stenen voegen in de bouw van een geestelijke tempel”. Dat is een mooi beeld dat ons meteen weer plaatst in de joodse traditie, waar het het volk goed ging toen het God vereerde in een tent in plaats van in een tempel.

Het doel is dat we een geestelijke gemeenschap vormen, een levende gemeenschap die dienstbaar is in woord en daad en zo een teken van de aanwezigheid van Gods Koninkrijk onder de mensen. Dit sluit ook aan bij het beeld van “parochie” in de katholieke theologie. Dat is volgens art. 2179 van de Catechismus van de Katholieke Kerk een gemeenschap van christengelovigen die onder leiding van een pastoor regelmatig bij elkaar komt om Eucharistie te vieren, om de Schriften te bestuderen en om naastenliefde te doen. Nergens staat er iets over een gebouw, de plaats van samenkomst is blijkbaar secundair. Ik denk wel eens dat we het belang van een gebouw moeten relativeren en zo tijd, geld, menskracht vrijmaken voor waar het werkelijk in ons gelovig gemeenschap zijn om gaat: het Rijk Gods.

Een tweede vraag die ik wil stellen is wie er belang heeft bij kerkgebouwen. Dat zijn namelijk belangen die nog wel eens kunnen botsen. Een eerste belang ligt bij de kerkelijke leiding en bij het bestuur van de parochie. Op het moment dat het besluit is genomen om het gebouw te verlaten, staan hier vaak de economische belangen voorop. Het gebouw en de grond waar het op staat vertegenwoordigen een waarde en het gaat erom die – in het belang van de financiële toekomst – zo goed mogelijk te verdedigen. Daartegenover staan de belangen van de burgerlijke gemeente. Die heeft door middel van bestemmingsplannen, vergunningen en/of monumentenbeleid vaak de ruimte waarop het gebouw staat vergeven, ingedeeld, geordend. Het is niet eenvoudig die te veranderen, waardoor medewerking van de gemeente stroef kan gaan.

Een derde zeer actieve groep bij kerksluitingen zijn de belangengroepen, met name de monumentenbeschermers. Menig bisdombestuurder zit met de handen in het haar als het Cuypersgenootschap, vaak met de beste bedoelingen, waarschuwt voor het verlies van een gebouw, want dat betekent waardeverlies en lange procedures. Het gevolg is dat deze drie partijen zich gaan ingraven en er langdurige, moeilijke gesprekken volgen waar alleen door juridische procedures uit te komen is. Één partij hoor ik echter nauwelijks in deze gesprekken: de buurtbewoners, de kerkleden-op-afstand, de maatschappelijke organisaties in de buurtstructuur. Zij lijken wel een vergeten groep, terwijl ze misschien wel goede ideeën hebben over het gebouw. Bovendien kunnen de ge- sprekken tussen de geïnstitutionaliseerde partijen misschien wel beter op gang komen en soepeler verlopen als deze groepen erbij betrokken worden.

Hiermee komen we op het derde discussiepunt: hergebruik, zo ja in welke vorm, of sloop? Het beleid van de bisdommen is over het algemeen gericht op sloop, vanuit verschillende valide redenen. De belangrijkste zijn van theologische aard (het gebouw als heilige plaats, wat ook zichtbaar is nadat de kerk door het verwijderen van het tabernakel is onttrokken aan de eredienst) en van financiële aard (grond zonder kerkgebouw is vaak meer waard dan met een monumentaal en moeilijk te gebruiken gebouw erop). Hergebruik is alleen mogelijk door religieuze organisaties die lid zijn van de Raad van Kerken (waarmee ook christelijke kerken worden uitgesloten die vanuit principiële of andere redenen geen lid zijn van deze organisatie, terwijl er hieronder wel groeiende kerkgenootschappen zijn die snakken naar een aansprekend gebouw op een centrale locatie), of voor activiteiten die de waarde van het gebouw niet aantasten, wat vaak in kettingbedingen wordt vastgelegd.

Ik heb in een eerder artikel (Sengers 2009) al aangegeven dat ik me voor kan stellen dat dit beleid soepeler gehanteerd wordt. Zoals hierboven aangegeven, heeft een kerkgebouw een bredere functie dan alleen het religieuze. Een gebouw is ook beeldbepalend in een wijk, een oriëntatiepunt. Een gebouw drukt iets uit over de geschiedenis van een buurt of dorp/stad. Een gebouw is vaak een organisch onderdeel van het beeld van een buurt, de alternatieven die ervoor in de plaats moeten komen “passen” niet altijd. Door te slopen wordt veel meer weggehaald (overigens ook maatschappelijk krediet van de Kerk) dan het gebouw alleen. We zouden ook het gebouw kunnen zien als onderdeel van een sociaal buurtsysteem, en kunnen nadenken over hoe dat daarbinnen te laten functioneren.

Tenslotte de vraag of de overheid zou moeten betalen voor het onderhoud van kerkgebouwen. Immers: dat is de grootste last voor de kerken en een bedreiging voor hun voortbestaan. Het zou geheel in de lijn liggen om, zoals in andere landen, hiertoe over te gaan. De Kerk werkt immers bij de gratie van vrijwilligers, van genade zogezegd, gratis. Andere vrijwilligersorganisaties zoals sportverenigingen, culturele verenigingen, buurtverenigingen worden ook gesubsidieerd als het om hun gebouwen gaat. Hierboven heb ik een pleidooi gehouden voor de sociale functie van kerkgebouwen, het zou dus in de lijn der verwachting liggen te pleiten voor betaling van het onderhoud van de gebouwen via de belastingen. Bovendien wijst veel onderzoek uit dat een kerkgenootschap veel betekent voor de samenleving, in de vorm van “maatschappelijk kapitaal”: vertrouwen, zorg en aandacht voor elkaar. Daar profiteert de samenleving van door goedkopere zorgkosten. Mag daar iets van terugvloeien?

Onderzoek van het KASKI (Bernts 2004) wijst uit dat de Nederlandse bevolking daar niet afwijzend tegenover staat. Toch ben ik er geen voorstander van. Het voorbeeld van België en Frankrijk laat zien dat ook aan deze landen het fenomeen van kerksluiting niet voorbijgaat, ook bij subsidiëring. Als de overheid meebetaalt, wil dezelfde overheid namelijk ook eisen stellen aan het gebruik: “Waarom komt u in dat dure monument bij elkaar, terwijl een nieuwbouw veel efficiënter zou zijn?”. Bovendien klopt het wel dat kerken een belangrijke rol in de samenleving vervullen, maar het is niet automatisch zo dat die kerken die rol ook blijven vervullen of beter vervullen als ze gesteund worden. Vergrijzing en secularisatie zullen niet stoppen als de overheid geld stopt in onderhoud van gebouwen, wat op den duur de legitimiteit van deze steun ondergraaft. Kortom: als de Kerk op basis van haar eigen geluid de bestaande gebouwen niet kan onderhouden, zou ik zeggen dat het maar op een andere manier moet.

Aandacht voor na de sluiting
Het sluiten van kerkgebouwen is dus een belangwekkend thema waar verschillende waarden bij elkaar komen. Waarden die niet altijd goed met elkaar sporen. Omdat er bovendien een flinke portie emotie bij komt kijken, is het niet altijd gemakkelijk die waarden dichter bij elkaar te brengen, zonder dat er mensen afhaken en belangen tekort komen. Het is daarom van belang hier aandacht aan te besteden, niet op de laatste plaats vanwege de toekomst van geloof en Kerk. Toen we in ons handboek kerkopbouw Levend Lichaam een hoofdstuk opnamen over kerksluiting (De Roest 2007), waren we ongeveer de eersten die daar aandacht aan besteedden. De Roest als hoofdauteur van dat hoofdstuk maakte duidelijk dat er verschillende opvattingen zijn tussen de katholieke Kerk en de protestantse Kerk wat kerksluiting betreft, hij ging in op de oorzaken, hoe je er als leiding mee kunt omgaan en vooral ook hoe verder te gaan. Later verscheen er een uitgebreidere studie (Bisseling/De Roest/Valstar 2011) over kerksluiting en hergebruik, hoewel het woord “handboek” misschien wat raar overkomt daar elke situatie weer anders is. Aangezien het te verwachten is dat er in de toekomst nog meer kerken gesloten gaan worden, is het goed hier zoveel mogelijk aandacht voor te genereren en studie naar te doen, nogmaals: met het oog op de toekomst van geloof en Kerk.

Daarom is het verheugend te zien dat Communio juist aan deze twee aspecten aandacht geeft in dit dubbelnummer In het eerste deel komen meer de pijnpunten aan de orde. Interessanter is echter het tweede deel: als het besluit tot sluiting genomen is, wat daarna? Met dit thema van het dubbelnummer is veel, zo niet alles wat met kerksluiting samenhangt besproken, maar wordt vooral een venster geopend naar de toekomst: hoe ziet die Kerk er dan uit als we niet meer in grote gebouwen samenkomen? De Kerk van Jezus houdt niet op, maar gaat op een nieuwe manier verder.

Literatuur
Bernts, T. (red.) (2004), Boodschap aan de kerken? Religie als sociaal en moreel kapitaal, Meinema/KASKI, Zoetermeer/Nijmegen. Bisseling, H., De Roest, H. & Valstar, P. (2011), Meer dan hout en steen: Handboek voor sluiting en herbestemming van kerkgebouwen, Boekencentrum, Zoetermeer.

De Roest, H. (2007), “Kerksluiting”, in: N R. Brouwer, K. de Groot, H. de Roest, E. Sengers & S. Stoppels, Levend lichaam: Dynamiek van christelijke geloofsgemeenschappen in Nederland, Kok, Kampen (pp. 199-238). Landheer, H. (2004), Kerkbouw op krediet: De financiering van de kerkbouw in het aartspriesterschap Holland en Zeeland en de bisdommen Haarlem en Rotterdam gedurende de periode 1795-1965, Aksant, Amsterdam.

Sengers, E. (2003), “Al zijn we katholiek, we zijn Nederlanders”: Opkomst en verval van de katholieke kerk in Nederland sinds 1795 vanuit rational choice perspectief, Eburon, Delft.

Sengers, E. (2009), “Verdwijnt de kerk? Over instituties zonder beweging”, in: R. Nauta (red.), Vreemd! Varianten van verscheidenheid en verschil in godsdienst en kerk, Valkhof Pers, Nijmegen (pp. 62-82).

Sengers, E. (2010), “‘Met veel gelal en geknal vieren we dit jaar carnaval’: Over prins carnaval, mijnheer pastoor, en een kerk uit het lood”, in: Religie & Samenleving, 5(1), pp. 5-20. 

Dr. Erik Sengers is godsdienstsocioloog en diaken van het bisdom Haarlem-Amsterdam. Hij is werkzaam als stafmedewerker van de Dienst Diocesane Caritas van het bisdom Haarlem-Amsterdam. Hij publiceert over de positie van Europese volkskerken in de mondiale samenleving, over de katholieke sociale leer (met name bij Mgr. Aengenent) en over caritastheologie. In 2012 zal zijn nieuwste monografie verschijnen: Caritas. Naastenliefde en liefdadigheid in de diaconia van de kerk (Eburon, Delft).

Meer uit deze jaargang: