Vorming en onderwijs van de (jonge) mens vormen een paar apart, terwijl katholieke leven en leer eveneens een (apart) paar vormen. Hoe komen en blijven deze bij elkaar? De vragen zijn zwaar – wat is een katholieke school en hoe gaat een katholieke vorming? – en de antwoorden niet gemakkelijk en eenduidig te geven, laat staan te accepteren. Hoeveel katholiciteit kunnen vorming en onderwijs bij een maatschappelijke secularisatie en vooral een secularisatie van de religieuze overtuiging zelf nog verdragen? Zijn het wel twee paren die elkaar nodig hebben? Of heeft het ene paar, katholieke leven en leer, het andere paar, vorming en onderwijs, in al zijn vormen in Vlaanderen en Nederland – uiteraard beide weer onderling op nuances verschillend – nog nodig? En vooral: heeft het tweede paar nog behoefte aan het eerste als een noodzakelijke partner? Elkaar dan maar moeizaam verdragen, en/of maar slechts meedragen, zolang het niet al te moeilijk wordt, is geen duurzame oplossing. Beide paren elkaar idealiserend uitdragen is geen haalbare kaart. De bijdragen van deze aflevering, grondig speculerend, het huidige veld van Kerk, opvoeding en onderwijs analyserend, de mogelijkheden nuchter inschattend, houden vast: beide paren hebben elkaar verder te dragen tot integratie van die ene mens, zijn verstand en wil, lichaam en ziel, en tot het bij elkaar brengen en houden van een geloofsgemeenschap in een pluralistische maatschappij, het verleden niet verdringend, met een (ook voor godsdienst) open toekomst.

Ignace Verhack stelt het probleem van de Kerk en de secularisatie van de menselijke religiositeit aan de orde en argumenteert dat het huidige overheersende bewustzijn niet weerlegd moet worden vanuit een nog wel geldende, maar innerlijk niet meer voldoende vullende metafysiek, maar uitgenodigd om zichzelf te ondervragen. De mens kan niet alles in handen houden. De mens vormen en onderwijzen dient de mens boven zichzelf uit aan zichzelf als een gegrond en bedoeld wezen terug te schenken en voldoende weet van zichzelf te geven met eigen geweten en verantwoordelijkheid. Als de catechese en de spirituele bewustwording dat opnieuw de mens bijbrengen en meegeven, dan zouden bovengenoemde paren samen en elk apart tot bloei komen.
Meer toegepast in deze lijn en vanuit een visie van pedagogiek en onderwijs, beschrijft Johan Van der Vloet een model waarbij de schoolwereld meer bewust dient te worden van het feit dat het religieuze en spirituele integraal deel uitmaakt van de mens en dat religieuze opvoeding in vorming en onderwijs bevorderd wordt door een “menswaardige” religieuze ontwikkeling, omdat de te vormen en te onderwijzen mens “capax religionis” is. Zijn bijdrage, meer essayistisch dan een receptenboek, is een pleidooi om een “katholieke school” opnieuw uit te vinden en te zoeken waar dit “project” zoek geraakt is.

Vervolgens komen er twee bijdragen die het huidige bestaande veld van katholiek onderwijs en vorming analyseren en ondervragen. Mgr. Everard de Jong, hulpbisschop van het bisdom Roermond en verantwoordelijke voor jeugdpastoraal en onderwijs binnen de Nederlandse bisschoppenconferentie, beschrijft de weerbarstige realiteit van de praktijk niet zonder ook concrete en hoopvolle aanzetten te signaleren en voorstellen te lanceren. Vanuit de praktijk in Vlaanderen is er een verslag en visie van de hand van de godsdienstleerkracht Ali Cornelissis, die de katholieke school van vandaag ziet als een teken aan de wand, waarop maatschappelijke ontwikkelingen, katholieke verleden en huidige kerkelijke visie en richtlijnen hun licht en donker laten schijnen.

Een derde invalshoek met betrekking tot het thema komt vanuit degenen die zelf in de vorming en het onderwijs stonden en staan. In mei 2006 werd in Nederland voor het eerst een zaligverklaring in het bisdom Roermond uitgesproken: die van de zalige Maria Teresa Tauscher, die als stichteres van de karmelietessen van het Goddelijke Hart, met het moederhuis in het Limburgse Sittard, op het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw een buitengewone bijdrage heeft geleverd tot de vorming en het onderwijs aan jonge kinderen, gehandicapt in verschillende opzichten. Haar religieuspedagogische inzichten, gesitueerd binnen een toegewijd leven aan het verwaarloosde kind, worden door zuster Francisca van der Vooren vanuit haar geschriften en werken geschetst.

Een andere bijdrage van de hand van Anke Bisschops, pastoraalsupervisor, houdt zich eveneens bezig, nu vanuit de psychologie en de theorie van Ingeborg Bosch, met de vorming van en het onderwijs aan degenen die als diaconale werk(st)er zich inzetten voor onderwijs en vorming van gekwetste mensen en gemarginaliseerde groepen. Een hernieuwd omgaan met eigen verdrongen kwetsuren en afweren daartegen om zelf beter, volwassener en objectiever om te gaan met degenen aan wie diaconale hulp wordt geboden.

Tenslotte nog twee bijdragen over het permanente diaconaat als een eigen instituut ook tot vorming van dienstbaarheid aan anderen in Kerk en wereld. Vicaris Joris Schröder houdt een evaluatie over een kwart eeuw permanent diaconaat in Nederland en schetst mogelijke toekomstperspectieven. Bart Koet gaat aan de hand van een bespreking van een studie van Th. Gibaut na in hoeverre de vroegere en huidige gestalte van de diaken openingen en nog niet ten volle uitgeputte mogelijkheden bevat voor dit nieuw herstelde kerkelijke ambt.

Een aflevering over vorming en onderwijs in katholiek perspectief met appellerende bijdragen over wat vorming ten diepste is en onderwijs kan en zelfs zou moeten zijn. Bijdragen als analyses over huidig onderwijs en vorming, over de vorming van personen die hiertoe geroepen en opgeleid worden, alsook een evaluatie van een opleidingsinstelling en vormingsinstituut als het permanente diaconaat mogen een onderdeel zijn van de vorming van degenen die ervan kennis wil nemen.


Meer uit deze jaargang: