Met dit nummer verschijnt het lnternationaal Katholiek Tijdschrift COMMUNIO voor de eerste maal in het Nederlands. Bij wijze van voorstelling bieden wij de lezer de kerngedachten uit de bijdrage van H. Urs von Balthasar, waarmee tot nog toe elke nieuwe editie zich bij het publiek heeft aangediend[1. De gedeelten die gewoon vertaald werden, zijn tussen aanhalingstekens geplaatst. Voor de volledige tekst, zie Hans Urs von Balthasar, Communio Ein Programm in nr. 1 van de Duitse uitgave (1972/1).]

De Redactie

Het is onze bedoeling bij te dragen tot de verheldering van het gelovig uitzicht op de tijd. Dit is een blijvende taak in de Kerk. De eeuwen door heeft de gemeenschap die zich op Jezus Christus’ naam beroept, steeds weer moeten bepalen waar juist zij zich tussen God en de wereld bevindt. Zij kan immers enkel zichzelf zijn als elke benaming waarin zij zichzelf uitdrukt een open dynamiek blijft vertonen.

Nu treft het dat de Kerk der eerste eeuwen, hoezeer zij zich ook een kleine groep gevoelde, door een vijandige wereld in de hoek geduwd, zich toch reeds ‘katholiek’ kon noemen1, d.w.z. universeel en normatief voor de hele wereld. De geschiedenis van het christendom is een telkens hernomen pogen om deze katholiciteit in een sociologisch aanwijsbare realiteit om te zetten. De vele afscheuringen en verbrokkelingen, de altijd weerkerende tegenstelling tussen de Kerk en de wereldlijke macht, zullen deze pogingen keer op keer doen mislukken. Uiteindelijk belandt men in de tegenstrijdige situatie waarbij “de katholieke Kerk” (de universele … ) het etiket wordt waarmee een bepaalde Kerk onder de vele particuliere Kerken haar plaats wordt toegewezen.

“Als echter het christelijk feit geen aanspraak meer kan maken op universaliteit, dan komt het met al zijn aanspraken, gesteund op de Bijbel en voorgedragen door een kerkelijke hierarchie, op de belt terecht van de religieuze afvalstoffen. Om op universaliteit aanspraak te kunnen maken, moet het christelijk feit als welbepaald en uniek verschijnen, als gewoon niet weg te denken: niet zo maar een afzonderlijk verschijnsel tussen veel andere, maar het bijzondere bij uitstek dat daardoor juist universeel kan zijn. Hiermee bereikt onze bezinning een stadium waarbij wij de initiële spanning niet meer uit de weg kunnen gaan, maar haar moeten overstijgen zonder haar te verzwakken. Van dit stadium worden wij ons bewust als wij het aanduiden met een woord: Communio.

“Dit oude woord staat centraal in het Nieuwe Testament, met de ruime openheid en eenmakende kracht waarvan het getuigt: een gemeenschap door de Geest Gods tot stand gebracht, in Christus, die welbewust voor alle mensen heeft geleefd en van de dood is opgestaan. In de geloofsbelijdenissen van de Kerk begeleidt de uitdrukking ‘sanctorum communio’, gemeenschap der heiligen, doorlopend de formule ‘Ik geloof in de katholieke Kerk’, ook al wordt het verband niet altijd zo bewust in het licht gesteld. Het ogenblik is thans gekomen om duidelijk te maken wat dit woord ‘Communio’ allemaal impliceert. Het wil ons voorkomen dat het een sleutelbegrip is voor wie wil verstaan wat de wereld is, wat ‘het uur van de Kerk’, en hoe beide zich tot elkaar verhouden. In zijn volle draagkracht begrepen, duidt ‘Communio’ op een programma, en wel het programma dat ons tijdschrift als geheel zich voorneemt te ontvouwen. In dit woord ter inleiding willen wij van dit programma enkel de dimensies aflijnen”.

1. Het basisprincipe van de christelijke communio

‘Com-munio’ betekent gemeenschap, in een concrete en welbepaalde zin: samenzijn binnen dezelfde muren (mun, moenia), maar ook samen werken aan een opdracht (munus), die tenslotte een vorm kan zijn van wederzijdse begiftiging (munus) .

De opdracht brengt de personen samen en verwijst ze naar elkaar. Het samenleven nodigt uit tot samenwerken. Pas op het vlak van het vrije, zedelijk en geestelijk engagement wordt het samenzijn menselijk. Zonder deze geestelijke bezieling worden de anderen de hel : “L’ enfer, c’est les autres”.

Maar deze ware gemeenschapsvorming veronderstelt een bewust en wel overlegd op weg zijn naar een gemeenschappelijk doel. Dus ook het gesprek onderweg. Nu kunnen in de loop van dit gesprek meningen aan het woord komen die elkaar uitsluiten. Dit is de ‘kritische’ fase. Crisis zegt scheiding (meteen strijd en keuze), maar ook beslissing, over onderzoek, navraag, proces en oordeelsvorming heen. Waarheid moet scheiden wil zij verenigen. Deze wet geldt voor elk vinden van waarheid in vrijheid: niet slechts in het leven van de enkeling, maar ook in dat van de gemeenschap waar de vele personen, elk met hun vrijheid en hun eigen gezichtshoek, tot het juiste gemeenschappelijk besluit moeten komen,

De stevigheid van de laatste grondslag zal beslissend zijn. Welke laatste grondslag onderstelt een volwaardige ‘communicatie’? Volstaat het daartoe gewoon zich naast elkaar te bevinden? Of is er een voorafgaande ‘communie’ vereist, bewust en vrij, in een medium dat wij, bij gebrek aan een beter woord, de menselijke ‘natuur’ noemen?

In de laat-griekse oudheid zag de Stoa deze uiteindelijke grond inderdaad in een gemeenschappe1ijke natuur: een superieur vrij denken en willen (de ‘Logos’), dat de concrete realiteit totaal beheerst en goddelijk maakt. Aan deze goddelijke natuur kan iedereen deelhebben, als hij maar in vrijheid instemt met dit vrije, goddelijke denken en willen, zoals het zich in het feitelijk gebeuren laat kennen. En de verschillende mensen vormen gemeenschap of communio, daar waar elk van zijn kant aldus concreet met de algemene natuur communiceert …

Maar met de Bijbel is dit wereldbeeld, waarbij Godheid en mensheid in elkaar vervloeien, onhoudbaar geworden en blijven er ons slechts twee wegen om met elkaar te communiceren in een absolute zin: deze van het christendom en die van het materialistisch begrepen evolutionisme … In dit laatste gaat het om “het utopisch doel van een evolutie die opstijgt van uit de materie en die de individuen van de menselijke soort vooruitstuwt, tot een zelfoverstijging ‘naar voren toe’, in de richting van een steeds volmaakter communie en wederzijdse doordringing van verstand en vrijheid. Met het oog op deze ontwikkeling kan en moet bewust gepland worden, desnoods door op gewelddadige, revolutionaire wijze aIle moment en uit de weg te ruimen die deze ontwikkeling mochten vertragen en die altijd neerkomen op een wil tot privatisering”.

De communio in Christus komt van twee kanten uit tot stand. Van Gods kant is de laatste grond van de christelijke gemeenschapsvorming onze deelhebbing aan de onpeilbaar diepe gemeenschap van de heilige Drieëenheid, die als liefdegemeenschap aan God een concreet gelaat verleent. Van de kant van de mens is deze laatste grond het feit dat wij geschapen zijn als beeld van God en als gericht op Hem, – wat alleen onze nooit rustende drang naar een altijd volmaakter communie onder de mens en kan verklaren, drang die zich in een alzijdig verband van binnenwereldse relaties projecteert. Contact, dialoog, gemeenschap van goederen kunnen enkel maar bemiddelen met betrekking tot een uiteindelijke communie die altijd transcendent en onvoorstelbaar blijft.

“Strikt genomen rest ons in het na-bijbels tijdperk enkel dit alternatief: of de christelijke ‘communio’ in de werkelijkheidsgrond van de goddelijke Logos die ons in Christus is geschonken als term en toppunt van de oude beloften, of het evolutieve ‘communisme’ dat door het joodse pathos van de hoop-naar-voren– toe gedragen, de volwaardige communio nastreeft als volmaakte zelfverwerkelijking van wereldidee en mensheid. Zoals men ziet is enkel in het eerste geval, in het christendom, de communio een in de werkelijkheid reeds aanwezig gesteld beginsel. In het geval van het communisme blijft het bij een ideaal, wat men ook doet om dat ideaal naderbij te brengen. De middelen, het gebruik van macht om zijn verwerkelijking af te dwingen, zijn in tegenspraak met de volmaakte vrijwilligheid waarop het als ‘positief humanisme’ aanspraak maakt.”

In de Handelingen der Apostelen lezen we hoe de eerste christelijke gemeente er een vrijwillig ‘communisme’ op nahield (vgl. 4,32). Het betrof een geest: het persoonlijk bezit werd als privéeigendom beschouwd of behandeld. Helaas illustreert de geschiedenis van de Kerk zeer duidelijk onze onbekwaamheid om het vooraf door God verleende communio-principe in levende werkelijkheid om te zetten. Theologisch gezien is het communisme de poging om deze kloof te overbruggen. Bedoeling en doel tekenen zich af binnen de wereldlijke opdracht van de christen, maar zijn middelen zijn ermee in tegenspraak. Het steunt niet op de begenadiging door God, maar op een vruchteloos pogen van de eigen menselijke kracht, dat altijd in geweld ontaardt. Beide gemeenschapsontwerpen zijn onverzoenbaar. Zij staan tegenover elkaar als ‘pneumatisch’, of uit de Geest geboren, tegenover ‘psychisch’, of enkel door natuurlijke krachten voortgebracht2

Elk stelsel waarin de mens uit eigen kracht tot de communie moet komen in een opperste, alles en allen verenigend medium, zal altijd óf de vrijheid verstoren, óf de kracht missen om een ware gemeenschap te vormen. Zo kan een “collectief onbewuste” nooit vrije mensen in een laatste lotsgemeenschap verbinden. En zowel Hegels wereldgeest als de goddelijke oergrond der Oosterse godsdiensten brengt enkel diegenen samen die hun absolute eigen- waarde als persoon opgeven: identiteit verstoort er de communie. “Van de andere kant, waar communie enkel voorwerp is van eschatologische hoop en niet reeds gegeven is in de tijd, daar zijn de voorafgaande generaties slechts materiaal dat men onderweg laat vallen. Tot het grote feest van de gemeenschap hebben zij geen toegang”.

De communio waarvan wij dromen is een gave van God. Ons één-willen- zijn moet een beroep doen op een reeds-één-zijn als kinderen van God, dank zij de Geest die “in onze harten uitgestort werd”. Wie zich wel en wie zich niet voor die genade openstelt, wie wel en wie niet in haar communio wordt opgenomen, kunnen wij binnen een bepaalde straal nog onderscheiden, maar verder ontsnappen ons de criteria. Het laatste oordeel komt God alleen toe. De kerkelijke theologie heeft in haar theorieën over de predestinatie op een moeilijk te verontschuldigen wijze Laatste Oordeel gespeeld en het vooraf gegeven karakter van de communio in Christus geminimaliseerd. Of uiteindelijk alle mensen door Gods genade binnengeleid zullen worden in de definitieve communie van de mensen met God ‘weten’ wij niet. Toch hebben wij het recht en de plicht dat te hopen, ‘met een goddelijke hoop, door God gewild en geschonken. Het aanbod van het grondleggend beginsel van eenheid, het mensgeworden W oord, is tot de gehele mensheid gericht.

2. Onze onderneming

Laten we duidelijk stellen welke realiteiten het universeel, katholiek karakter van de communio bepalen:

  1. De werkelijkheid van de drieëne God die absolute communio is, die ons naar zijn beeld geschapen heeft en geroepen tot gemeenschap met zijn eigen leven.
  2. De werkelijkheid van Gods zelfgave in de Menswording, om allen in Christus met zich te verzoenen en eeuwig leven te schenken.
  3. De werkelijkheid van ]ezus’ zelfverdeling in het eucharistisch maal waaraan een liefde en een alzijdige communio ontspringt die elk louter menselijk kunnen overstijgt.
  4. De werkelijkheid van de heilige Geest die, binnen deze sacramentele ruimte, ons als vrije geesten doordringt, onze verlangens de oneindigheid verleent die ze enkel kennen in God, ons tot een lichaam verenigt in Christus. “Deze katholieke aanspraak op universaliteit is uniek in de geschiedenis van de godsdiensten, omdat ze nergens een menselijk element ten gunste van een ander uitschakelt, en het menselijke evenzeer als het goddelijke in aanmerking neemt. Zij billijkt de stoutste durf, maar stelt ook de onverbiddelijkste eisen”.

Hier zou een schets passen van de alzijdige beweging naar eenheid en vrede waarop de verrezen Christus mens en wereld richt. Wij vermelden hier enkel de verschillende richtingen waarin de eenmaking op voltooiing wacht.

Een Vrede tussen hemel en aarde die elke scheiding tussen beide, elke afwezigheid of dood van God overwint. Niets in het heelal kan ons nog scheiden van de liefde Gods die is in Christus Jezus onze Heer (vgl. Rom 8, 39). Alle wetten die de moderne mens ontdekt, alle methoden, technieken en apparaten die hij ontwerpt, mogen wij beschouwen als bij voorbaat bestemd om te worden opgenomen in een communie tussen hemel en aarde waarvan de vrede “elk begrip overtreft” (Fil 4, 7).

Verder zijn er de grote spanningen die binnenwereldlijk schijnbaar niet zijn op te heffen. In de eerste plaats de spanning tussen joden en ‘heidenen’, die ondergronds, en meer dan ooit, de geschiedenis bepaalt: tussen hen die de eindverzoening met God nog verwachten en hen voor wie ze reeds gekomen is in Christus, gestorven voor zijn volk, maar ook om Gods kinderen over de wereld te verzamelen. Er is de spanning tussen de Westerse en de Oosterse Kerk die reeds de eenheid kennen van de “communio in sacris”, teken van hun fundamentele verstandhouding. Vervolgens is de verzoening na te streven met de Hervorming en de Anglicaanse Kerk, die des te meer kans heeft te slagen naarmate men ze grondiger en veeleisender opvat. Er is het gesprek met de niet- christenen en de tegenstanders van Christus, die vaak grotendeels leven van het christelijk erfgoed, die karikaturen van het christendom bestrijden of taken opnemen die wij verwaarloosd hebben. Wat de “afvalligen” betreft: wie Christus verlaat wordt daarom nog niet door Hem verlaten. Wij hebben de communio te beleven met allen die weten van een God, het goddelijke, het absolute: de Islam waarmee wij op bijbelse grondslag verbonden zijn, de godsdiensten van het Verre Oosten met wie bepaalde vormen van “negatieve theologie” de dialoog mogelijk maken. Tenslotte hebben wij een graad van communio te beleven met hen die menen geen enkele vorm van transcendentie te kunnen aanvaarden, zoals de marxisten, bij wie wij waar en onwaar liefdevol en eerlijk moeten onderscheiden.

“Velen voor wie de kerkgemeenschap weinig meer betekent dan een institutioneel geraamte, beschouwen steeds meer de kleine groep, met haar levende gemeenschapservaring, als criterium van volwaardig kerkelijk leven. De katholieke, universele Kerk is nog enkel een dak dat ergens zweeft, ver boven de verdieping die zij bewonen. Ongetwijfeld wettigt de communio- ervaring van die groepen ten zeerste de hoop op herleving van onderaf, maar zij behelst evenzeer het gevaar in charismatische sekten te vervallen. Heel Paulus’ dialoog met de Korintiers was erop gericht de kerkelijke communie te onttrekken aan de greep van de zuiver charismatische ‘ervaring’ en, door het apostolisch ambt, haar op de katholiciteit te richten, boven zichzelf uit. Het ambt is ongetwijfeld dienst en niet overheersing,maar dan een dienst met ‘vol- macht’ om elke verschansing die charismatici tegen de universele communio zouden optrekken, af te breken en “Christus dienstbaar te maken” (2 Kor 10, 5). Wie met een beroep op het charisma (op democratie) het kerkelijk ambt nivelleert, mist het moment dat elke bijzondere opdracht onmiddellijk kruisigt om het boven zichzelf uit te heften : tot op het niveau van de Catholica, waar- van de eenheidsband niet de ervaring of de ‘gnosis’ is, maar de zelfverzakende Liefde of de ‘agapè’. Gene vernielt uiteindelijk, maar deze bouwt op (vgl. 1 Kor 8, 1)”.

De communio is de horizon waarnaar elke christelijke ervaring ons richt, maar deze ervaring kan haar evenmin dichterbij brengen als welke menselijke inspanning dan ook. De christelijke communio is het eeuwig gratis aangeboden geschenk waarom steeds weer gebeden moet worden en dat altijd voorwerp blijft van dank en 1of.

3. Tot het uiterste opgeëist

Wie de draagwijdte van de communio beseft, wordt tot het uiterste opgeëist. Wat van hem wordt gevraagd is niet een briljante geest die de verschillende standpunten volmaakt begrijpt, maar een liefde die nooit bezwijkt, die eigenlijk geen vijanden kent omdat God in het Lichaam van de gekruisigde “elke vijand- schap heeft gedood” (Ef 2, 16). Deze liefde leeft niet in de sfeer van een boeddhistische of een stoïcijnse ongevoeligheid. Zij zal integendeel, zoals Christus, zich totaal kwetsbaar in de ontmoeting wagen, – wat echter een zo bittere weerstand kan oproepen, dat enkel het nederig geloof in Gods reeds volbrachte liefdedaad, met uitsluiting van elke vorm van triomfalisme, ook die van de Liefde, haar in staat stelt vol te houden.

Het zou hoogst onbescheiden zijn bij elk gesprek deze dingen op te roepen. Wel moeten ze ons voor ogen blijven, als wezenlijk behorend bij de werkelijkheid van de communio, zoniet dan wordt de dialoog onvruchtbaar. Hoe sluitend onze argumenten ook mogen zijn, de ene waarheid openbaart zich alleen waar het hart zich opent voor al het lijden van het menselijk hart dat uit de dwaling ons toeschreeuwen kan.

Dan pas laat het gesprek onderkennen wat in de wereld kan en moet ondernomen worden. En dat is niet de vernieling van alle structuren, in de utopische verwachting van een heel nieuwe morgen, een heel nieuwe wereld. Wij hebben te vertrekken van “de grotere waarheid”, van de reeds aanwezige, reële communio. En de grotere waarheid heeft uiteraard gelijk, zodat iedereen zich voor haar moet openstellen. De katholiciteit bestaat erin de grotere waarheid tot gelding te laten komen, zich voortdurend onder haar oordeel te stellen. Een buitensporige eis,maar hij leidt ons mensen naar de gemeenschap in God.

Die weg wensen wij met Communio te gaan. Wij beseffen dat de waarheid, ook de geloofswaarheid, geen “veilig bezit” is; dat zij de mens veeleer van zijn bezit ontdoet. Zij vraagt om de christelijke moed zich bloot te stellen, zonder schroom of schaamte. Het woord van Paulus is dan niet langer een holle frase : “Als ik zwak ben, ben ik sterk” (2 Kor 12, 10).

Dit artikel verscheen in:

Show 2 footnotes

  1. Zie de brief van Ignatius van Antiochie aan de christenen van Smyrna, 8,2.
  2.  D. Bonhoeffer, Gemeinschaft, 1966, pp. 22 v.v.