Op 15 juni 1992 verscheen een tekst van de Congregatie voor de geloofsleer, gedateerd op 28 mei over “Enkele aspecten van de kerkelijke communio”. Hij is gericht tot alle bischoppen1 Vrijdag 29 mei 1992 hield Joseph kardinaal Ratzinger aan de Pauselijke Universiteit van de Gregoriana in Rome een opmerkelijke toespraak over ditzelfde thema, die wij hieronder voor onze lezers hebben vertaald. De redevoering van de huidige prefect van de Congregatie voor de geloofsleer stond binnen het kader van een jubileum: 20 jaar tijdschrift Communio in Duitsland, Frankrijk en Italie.

Het is voor ons tijdschrift een eer deze tekst hier in het Nederlands te kunnen publiceren, vooral omdat hij mogelijkerwijze een sleutel tot interpretatie van de tekst van de Congregatie zelf kan bieden. Het nummer opent met dit referaat. Pas daarna volgen de bijdragen rond het thema.

Red. Communio

Toen in het begin van het jaar 1972 het eerste. nummer van het internationale katholieke tijdschrift Communio verscheen, waren er twee edities: een Duitse en een ltaliaanse; een Kroatische stond op het getouw. De Duitse uitgave werd door Franz Greiner in een korte inleiding voorgesteld; wat beide uitgaven gemeenschappelijk hadden, was de principiele theologische bijdrage van Hans Urs yon Balthasar, “Communio – een programma”. Als men vandaag, twintig jaar later, deze bladzijden herleest, dan is men verwonderd dat de tekst nog niets aan actualiteit heeft ingeboet en in het huidige theologische landschap zijn volledige brisante werking heeft behouden. De vraag rijst evenwel in hoever het tijdschrift dit programma trouw gebleven is en wat het kan doen om aan dit programma nog beter recht te laten wedervaren. Maar zo’n gewetensonderzoek kan niet het onderwerp van mijn referaat zijn, dat enkel ertoe wil bijdragen, het geheugen op te frissen en de wil te bekrachtigen die aanvankelijk aanwezig was.

1. Ontstaan van het tijdschrift Communio

Voor het zoëven geformuleerde opzet zou het om te beginnen dienstig kunnen zijn, even terug te blikken op de wording van het tijdschrift, dat thans – niet zonder moeite en problemen – in dertien talen verschijnt en niet meer weg te denken is uit de huidige theologische gesprekken. Aan het ontstaan ervan lag een initiatief van Hans Urs von Balthasar ten grondslag; een initiatief dat nog niet rechtstreeks een tijdschrift op het oog had. De grote theoloog uit Basel had niet deelgenomen aan het conciliaire gebeuren. Ten aanzien van de bijdrage die hij had kunnen leveren, moet men dit met grote spijt vaststellen. Maar het had ook zijn goede kant. Want de afstand van waarop Balthasar het geheel kon waarnemen, gaf hem een onafhankelijkheid en klaarheid van oordeel, die onmogelijk was als men zelf vier jaar midden in het gebeuren had gestaan. Hij heeft de grootheid van de conciliaire teksten ingezien en zonder voorbehoud gewaardeerd, maar hij zag ook hoe zich daarrond veel kleine geesten verzameld hadden, die nu uit de conciliaire sfeer aanzien trachtten te verwerven, door eenvoudigweg langs de maatstaf van het geloof heen te praten met eisen en beweringen, die aan de smaak van de tijdgenoten beantwoordden en opwindend schenen omdat men ze tot dan toe als onverenigbaar met het geloof van de Kerk had beschouwd. Origines heeft eens gezegd: “De ketters denken dieper, maar niet juister”2. Mij wil het voorkomen, dat men met betrekking tot de naconciliaire tijd deze uitspraak lichtjes moet wijzigen, door te zeggen: “Hun denken schijnt interessanter, maar ten koste van de waarheid”. Het tot dan toe onmogelijke te beweren, werd als voortzetting van de geest van het Concilie voorgesteld. Zonder iets creatiefs nieuws voort te brengen, kon men zich op een goedkope wijze interessant maken, door oude liberale winkeldochters nu als nieuwe katholieke theologie aan te bieden.

Balthasar heeft dit proces, waarin het interessante belangrijker werd dan het ware, van meet af aan met grote scherpte waargenomen en er zich met heel de onverbiddelijkheid van zijn denken en zijn geloof tegen schrap gezet. Cordula oder der Ernstfall, dat in 1966 verscheen, zal steeds meer erkend worden als een klassiek voorbeeld van zakelijke polemiek, dat op waardige wijze aansluit bij de grote polemische geschriften van de Vaders, die ons gnosis en christen- dom leerden onderscheiden. Daarvóór, en wel in 1965, had hij al het boekje Wer ist ein Christ? uitgegeven, dat verraste door de helderheid van de maatstaven waarmee het wat authentiek christelijk is leerde onderscheiden van zelfgemaakte vormen van gefingeerd christendom. Balthasar had met deze geschriften juist dat gedaan wat hij in 1972 als opdracht van Communio aanduidde: “Het gaat niet om bravoure, maar wel om de christelijke moed, zich duidelijk en kwetsbaar op te stellen”3. Hij had zich duidelijk opgesteld in de hoop, het theologisch denken door deze bazuinstoten weer tot zakelijkheid terug te roepen. Heel vlug zag de geleerde uit Basel dat zijn stem alleen niet toereikend was, op een ogenblik dat men theologie niet meer naar de inhoud, maar naar de zuiver formele categorieën conservatief-progressief beoordeelde. In deze situatie werd dat wat men als conservatief kon classificeren, zonder meer als onbelangrijk beschouwd, en er waren geen argumenten meer nodig. Daarom maakte Balthasar zich op, om bondgenoten te zoeken. Hij plande een gemeenschappelijk werk, nl. “Klarstellungen” , met een omvang van niet meer dan 150 bladzijden. De beste vaklieden van de afzonderlijke disciplines moesten zo bondig mogelijk voorstellen wat wezenlijk was voor de grondvragen van het geloof. Hij werkte een thematisch plan uit, schreef zelf een voorontwerp van 35 bladzijden, waarin hij de innerlijke logica van het werk van de toekomstige auteurs trachtte uit de doeken te doen, om hun zo de plaats van hun thema in het geheel te laten zien. Hij was met veel theologen in gesprek, maar gezien de eisen die nu juist aan de door hem voorziene auteurs gesteld werden, kon de zaak niet goed opschieten. Bovendien bleek dat de snelle veranderingen van de toen gebruikte theologische slagwoorden ook telkens weer veranderingen in de opzet van vraag en antwoord noodzakelijk maakten. Op een gegeven moment kwam Balthasar in de late jaren zestig tot het inzicht dat zijn project niet verwezenlijkt kon worden. Het werd duidelijk dat een “eenmalig” verzamelwerk niet toereikend was, maar dat een blijvend gesprek met de verschillende stromingen noodzakelijk was.

Zo ontstond de gedachte aan een tijdschrift, dat in samenhang met de eerste zitting van de Internationale Theologencommissie (1969) vorm kreeg. Hier bleek verder dat zo’n gespreksorgaan internationaal moest zijn, om werkelijk de omvangrijkheid van het katholicisme te kunnen uitdrukken en over zijn verschillende culturele verschijningsvormen te kunnen nadenken. Wat reeds bij het plan van de “Klarstellungen” – in vergelijking met de eerste polemische pogingen – bepalend was geweest, werd daarbij volkomen duidelijk: dat niet het “neen”, maar enkel het “ja” aan zo’n onderneming duurzaamheid kon geven. Het moest uit een positieve grond komen, om zo ook antwoord te kunnen geven op de gestelde vragen. In de herfst van 1969 begonnen Balthasar, De Lubac, L. Bouyer, J. Medina, M.J. Le Guillou en ikzelf in de marge van de officiële discussies van de theologencommissie gesprekken te voeren, waarin dit project zijn concrete vorm kreeg. Wat de deelnemers betreft zou het om te beginnen een gemeenschappelijk Duits-Frans werk worden. Daarbij zou aan de Franse kant Le Guillou, die toen nog in goede gezondheid verkeerde en over zijn volledige scheppingskracht beschikte, de leiding op zich nemen, terwijl Balthasar reeds vanzelf de vader van het gemeenschappelijk project met een speciale verantwoordelijkheid voor de Duitse tak geworden was.

Van de idee naar de verwezenlijking liep echter een lange weg. Het kwam erop aan een uitgever te zoeken, evenals de financiële middelen en een enigszins vaste kern van auteurs. Ook werd de vraag naar de titel gesteld. Velerlei mogelijkheden werden afgetast; zo herinner ik mij b.v. een gesprek met de grondleggers van het tijdschrift Les quatre fleuves, dat toen vanuit gelijkaardige motieven in Parijs op het getouw stond. Aanvankelijk geraakte de Franse uitgave niet op gang, vooral omdat Le Guillou wegens ziekte praktisch uitviel. Voor de start waren twee gebeurtenissen van beslissende aard. Balthasar kreeg contact met de in Italië opbloeiende beweging “Comunione e Liberazione”. Hij vond bij die jonge mensen, die in de door Don Luigi Giussani gestichte gemeenschap samenkwamen, het elan, de durf en de geloofsmoed die nodig waren. Daarmee was de Italiaanse partner gevonden. In Duitsland bleek dat de uitgeverij Kösel het culturele tijdschrift Hochland met zijn rijke traditie wilde opgeven, om het te vervangen door een Neues Hochland, waaraan evenwel maar een kort leven beschoren was; het woord “neu” wees daarbij op een onmiskenbare koerswisseling. Daarom was de laatste hoofdredacteur van Hochland, Franz Greiner, bereid, heel zijn ervaring en heel zijn kunnen in dienst te stellen van het tijdschrift in wording. Hij heeft het met grote zelfverloochening gedaan, doordat hij – om de onafhankelijkheid van het werk veilig te stellen – zelf een uitgeverij stichtte en daarbij niet alleen afstand deed van zijn eigen honoraria, maar ook zijn persoonlijke middelen ter beschikking stelde van het geheel. Zonder hem was deze start niet mogelijk geweest, en daarvoor moeten wij hem hier eens uitdrukkelijk dankzeggen.

Ik weet niet meer wanneer juist de naam Communio voor het eerst ter sprake kwam. Maar ik vermoed dat het door het contact met “Comunione e Liberazione” gebeurd is. Dit woord stond daar plots als een verlichting in een woonvertrek omdat het inderdaad a wat wij wilden adequaat weergaf. Wel waren er aanvankelijk moeilijkheden, want de naam was al in gebruik. In Frankrijk was er een klein tijdschrift onder deze titel en in Rome een boekenreeks die zo heette. Om die reden moest een andere hoofdtitel – Internationaal Katholiek Tijdschrift – gekozen worden; Communio kon men dan bijvoegen, zonder andermans rechten te krenken.

Door deze naam als leidmotief te nemen alsmede door het contact met de Italiaanse partners kwamen er verdere verduidelijkingen betreffende de fysionomie van het nieuwe tijdschrift, dat tegenover de reeds bestaande tijdschriften ook structureel nieuw wilde zijn. In deze nieuwe structuur moesten zich tevens de creativiteit en de breedte van ons uitgangspunt manifesteren. Het ging vooral om twee elementen. Wij wilden een nieuwsoortige internationaliteit. Tegenover het centralistische concept van Concilium waren wij van mening dat de zin van het woord communio een “met-elkaar” van eenheid en verscheidenheid verlangde. Hans Urs yon Balthasar wist vanuit zijn werk als uitgever hoe groot de afstand alleen al tussen de Europese culturen ook vandaag nog is. Hij had b.v. een reeks “Theologia Romanica” gesticht, waarin hij de beste werken van de Franse theologie in het Duits publiceerde. Hij moest constateren dat ze in Duitsland verregaand onverkoopbaar bleven omdat hun cultureel uitgangspunt door de Duitsers niet begrepen werd. Het tijdschrift moest er ook toe dienen, de culturen voor elkaar te openen, ze werkelijk met elkaar in gesprek te brengen en ze tegelijk de hun passende ruimte te laten. Want de situaties in Kerk en maatschappij zijn nu eenmaal zo verschillend, dat wat bij de enen brandend actueel is, voor de anderen vreemd blijft. Er werd dan ook overeengekomen, een principieel deel met de grote theologische bijdragen te publiceren, dat in een gemeenschappelijke planning uitgewerkt moest worden en waarin de auteurs uit de verschillende deelnemende landen in alle uitgaven aan het woord moesten komen. Een tweede deel moest voorbehouden blijven voor de reacties van elk deelnemend land, waarbij in Duitsland besloten werd, dit tweede deel – in de lijn van de Hochland-traditie – zoveel mogelijk ook aan algemeen culturele thema’s te wijden. Ook deze verbinding van theologie en cultuur moest een wezenlijk kenteken van het tijdschrift zijn. Daaruit volgde dan ook dat priesters en leken, theologen en vertegenwoordigers van andere disciplines tot de redactie dienden te behoren, om het tijdschrift tot een gespreksforum tussen geloof en cultuur te laten uitgroeien. Vit het begrip communio vloeide nog een ander kenmerk voort, dat voor ons toen heel belangrijk was. Wij wilden Communio niet zonder meer op een neutrale markt brengen en dan afwachten in welke hoek het afnemens zou vinden. De titel leek ons te verlangen dat het tijdschrift Communio gemeenschap zou vormen en telkens weer uit communio zou groeien. In de verschillende centra moesten gemeenschapskringen ontstaan, waarin dit tijdschrift als een soort geestelijke fundering overdacht en besproken moest worden; omgekeerd moesten vanuit deze kringen kritiek en aansporing tot ons komen, kortom: er werd gedacht aan een nieuw soort dialoog met de lezers. Het tijdschrift moest niet zonder meer als intellectueel aanbod in de wereld staan, maar gedragen worden door een levenscontext, waarbij men zich voorstelde dat zo ook een nieuw soort financiering mogelijk kon worden – niet vanuit een vast kapitaal, maar door de gemeenschappelijke initiatieven van al degenen die zich als auteurs en lezers als werkelijke dragers van het geheel moesten beschouwen. Jammer genoeg is dit concept – na enkele bescheiden aanlopen in Duitsland en krachtiger pogingen in Frankrijk – niet tot wasdom gekomen. In de pro- motiekring van Communio is in Duitsland ten minste een fragment overgebleven van wat toen werd nagestreefd. Wij moesten in elk geval inzien dat men door een tijdschrift geen gemeenschap kan stichten, maar dat de gemeenschap eraan voorafgaat en het nodig moet maken, zoals dat bij Comunione e Liberazione het geval is. Communio was evenwel nooit als orgaan van deze beweging voorzien, maar het moest christenen, onafhankelijk van hun toebehoren aan afzonderlijke gemeenschappen, eenvoudig vanuit het gemeenschappelijk geloof aanspreken en samenbrengen.

2. Naam als programma

Toen ons tijdschrift twintig jaar geleden op weg ging, was het woord communio nog niet door de progressieve naconciliaire theologie ontdekt. Alles was toen geconcentreerd op het begrip “Gods volk”, dat als de eigenlijke vernieuwing van het Tweede Vaticaans Concilie werd beschouwd en heel vlug tegenover een hiërarchische opvatting van de Kerk werd gesteld. “Gods volk” werd steeds meer in de zin van volkssoevereiniteit opgevat, als recht op gemeenschappelijke, democratische bepaling door allen van wat de Kerk moest zijn en wat zij moest doen. God, die door de genitief “Gods” als de eigenlijke Schepper en Soeverein van dit yolk aangesproken wordt, bleef bij zulke beschouwingen buiten spel; Hij werd versmolten met het zichzelf stichtende en vormende yolk4. Ondertussen is, wonderlijk genoeg, het toen nauwelijks opgemerkte woord communio in de mode gekomen, en weer als contrasterend begrip: Vaticanum II zou de hiërarchische ecclesiologie van Vaticanum I opgegeven en ze door een communio-ecclesiologie vervangen hebben, zo hoort men her en der zeggen. Klaarblijkelijk wordt communio daarbij op dezelfde wijze als voordien “Gods volk” opgevat, d.w.z. als een wezenlijk horizontaal begrip, dat enerzijds de egalitaire factor van de gelijkheid van allen onder de beschikking van allen moet uitdrukken, anderzijds echter een totaal op de lokale Kerk gefundeerde ec- clesiologie als essentiele grondgedachte naar voren brengt. De Kerk verschijnt als een netwerk van groepen, die als zodanig aan het geheel voorafgaan en langs de weg van het zoeken naar conclusies hun “met-elkaar” moeten vinden5.

Zo’n uitleg van het Tweede Vaticaans Concilie kan alleen maar worden voorgestaan door wie ofwel weigert de teksten ervan te lezen, ofwe1 deze teksten verdeelt in aanvaardbare vooruitstrevende en onaanvaardbare ouderwetse stukken. Want in het conciliaire document over de Kerk zelf zijn Vaticanum I en Vaticanum II onlosmakelijk met elkaar vervlochten; van een aflossing van een vroegere, onjuiste ecclesiologie door een nieuwe en andere kan geen sprake zijn. Bij zulke voorstellingen worden concilieteksten met partijprogramma’s, concilies met partijdagen verward en wordt de Kerk tot een partij gedegradeerd. Partijen kunnen na enige tijd een oud programma verwerpen en vervangen door een nieuw dat ze nu als beter beschouwen, tot weer een ander in zijn plaats komt. Maar de Kerk heeft niet het recht, van geloof te wisselen en daarbij tegelijk van de gelovigen te eisen dat zij toch bij haar blijven. Concilies kunnen dan ook geen ecclesiologieen of andere leerstukken uitvinden of ze weer verwerpen. Want de Kerk staat, zoals Vaticanum II zegt, “niet boven het woord Gods, maar dient het en leert derhalve alleen maar wat overgeleverd is” (Dei Verbum 10). Het inzicht in de diepte en breedte van de overlevering groeit echter, omdat de H. Geest het geheugen van de Kerk verbreedt en verdiept, om haar “in de volle waarheid binnen te leiden” Goh. 16,13). Deze groei in de “waarneming” (perceptio) van wat in de overlevering opgeborgen is, gebeurt volgens het Concilie op een drievoudige wijze: door het nadenken en de studie van de gelovigen, door inwendig inzicht dat uit geestelijke ervaring voortkomt, en door de verkondiging van diegenen, “die met de opvolging in het bisschopsambt het zekere charisma van de Waarheid ontvangen hebben” (id. 8). Met deze woorden zijn ook de geestelijke plaats van een concilie, alsook zijn mogelijkheden en opdrachten principieel omschreven: het concilie staat in zijn innerlijke verplichting tegenover het woord Gods en de traditie. Het kan enkel leren wat overgeleverd is; wel moet het in de regel deze overlevering in een nieuwe context op een nieuwe wijze ter sprake brengen, zodat ze – op een nieuwe wijze gezegd – onvervalst dezelfde blijft. Als het Tweede Vaticaans Concilie het begrip communio in het middelpunt plaatste, dan deed het dat niet om een andere ecclesiologie of zelfs een andere Kerk te creëren, maar omdat studie en uit ervaring voortkomend inzicht van de gelovigen het mogelijk maakten, de overlevering op dit punt vollediger en omvattender onder woorden te brengen.

Na deze uitweiding rijst nu de vraag, wat het begrip communio in de overlevering en van daaruit voor het Tweede Vaticaans Concilie betekent. am te beginnen, moeten we vaststellen, dat communio geen sociologisch, maar een theologisch begrip is, dat in het ontologische wortelt. O. Saier heeft dat in zijn in 1973 verschenen grondige werk over “communio” in de leer van het Tweede Vaticaans Concilie duidelijk uitgewerkt. In een eerste hoofdstuk, dat de “spreekwijze van het Tweede Vaticaans Concilie” onderzoekt, staat op de eerste plaats de communio tussen God en mens en op de tweede plaats – daaruit voortvloeiend – de communio van de gelovigen onder elkaar. Ook het tweede hoofdstuk, dat de theologische plaats van de communio duidelijk maakt, herhaalt deze volgorde; in het derde ten slotte verschijnen woord en sacrament als de eigenlijke opbouwende elementen van de communio ecclesiae. Wat hier vanuit het jongste concilie uiteengezet is, heeft Hans Urs von Balthasar met zijn soevereine kennis van de filosofische en theologische bronnen principieel behandeld. Ik wil dat niet herhalen, maar kort op enkele hoofdbestanddelen wijzen, omdat die voor het streven van ons tijdschrift fundamenteel waren en het blijven. am te beginnen, moeten we zeggen dat communio onder de mensen maar mogelijk is door een derde, dat hen omvat. Wel schept de gemeenschappelijke menselijke natuur de voorwaarde ervoor, dat we met elkaar kunnen communiceren. Omdat de mens evenwel niet alleen natuur is, maar persoon en zo een unieke, van iedere andere onderscheiden wijze van mens-zijn vormt, is de natuur alleen ontoereikend om het innerlijke contact tussen de personen teweeg te brengen. Als we nu nog eens een onderscheid maken tussen individualiteit en personaliteit, dan zouden we kunnen zeggen: de individualiteit scheidt, het persoon-zijn opent. Het is naar zijn wezen betrokken-zijn. Maar waarom opent het? Omdat het in zijn diepte en hoogte zichzelf overstijgt naar het grotere gemeenschappelijke, de grote Gemeenschappelijke toe. Het omvattende derde, waarop wij aldus weer terugkomen, kan enkel verbinden, als het enerzijds groter is dan de afzonderlijke individuen, boven hen staat, maar anderzijds innerlijk inherent aan hen is, hen allen van binnen uit aanraakt. Hoger dan mijn hoogte, innerlijker dan ik voor mijzelf, heeft Augustinus daarvan gezegd. Dit derde, dat in waarheid het eerste is, noemen wij God. In Hem komen wij met elkaar in contact. Door Hem ontstaat communio die naar de diepte gaat, en niet anders.

We moeten nog een stap verder gaan. God heeft Zich met het mens-zijn verenigd, door zelf mens te worden. Maar zijn mens-zijn in Christus is door de H. Geest zo geopend, dat het ons allen kan omvatten en als het ware in een enkel lichaam, in een enkel gemeenschappelijk lijf kan samenbrengen. Het trinitaire geloof en het geloof in de Menswording voeren de gedachte van de goddelijke gemeenschap uit het gebied van de filosofische begrippen naar de historische realiteit van ons leven. Van daaruit is dan ook te begrijpen dat in de christelijke overlevering – in aansluiting aan 2 Kor. 13,13 – koinonia – communio ronduit tot een aanduiding werd voor de H. Geest.

Laten we deze concrete uitspraak vasthouden. De communio van de mens en onder elkaar wordt mogelijk vanuit God, die door Christus in de H. Geest mensen samenbrengt, zodat zij gemeenschap – “Kerk” in de eigenlijke betekenis van het woord worden. De Kerk waarvan het Nieuwe Testament spreekt, is een Kerk “van boven”, niet vanuit dat “boven” dat door mensen wordt gecreëerd, maar uit het werkelijke “boven”, waarvan Jezus zegt: “Gij zijt van beneden, Ik ben van boven” Joh. 8,23). Van Hem uit heeft evenwel ook het “beneden” een nieuwe zin gekregen, want “Hij is afgedaald naar de onderste diepten van de aarde” (Ef. 4,9). De ecclesiologie “van beneden”, die ons tegenwoordig aangeprezen wordt, gaat ervan uit dat men Kerk als een puur sociologische grootheid beschouwt en Christus als handelend subject buiten spel laat. Maar dan spreekt men eigenlijk niet meer van Kerk, maar van een maatschappij die zich ook religieuze doeleinden stelt. Waar dit met alle consequentie wordt doorgevoerd, is zo’n Kerk dan ook in theologische zin “van beneden”, namelijk “van deze wereld”, zoals Jezus in het Johannes-evangelie het “beneden” definieert Joh. 8,23). Communio-ecclesiologie is in elk geval denken en leven vanuit het werkelijke “boven”, dat elk menselijk boven en beneden relativeert, omdat voor dit denken en leven de eersten de laatsten en de laatsten de eersten worden.

De opdracht van het tijdschrift Communio moest en moet daarom zijn, op dit werkelijke “boven” aan te sturen, dat in een louter sociologisch en psychologisch denken aan de blik ontsnapt. De “kerkdromen” voor morgen en het daardoor teweeggebrachte activisme van “kerk-maken”, kunnen, waar het wezenlijke wegvalt, zoals Georg Muschalek heeft aangetoond, alleen maar altijd meer ontgoochelingen veroorzaken6.

Enkel in het licht van het werkelijke “boven” kan ook een ernstige en voortgezette kritiek op de hiërarchie geoefend worden, waarvan de grondslag niet de filosofie van de afgunst, maar het woord Gods dient te zijn. Een tijdschrift dat onder de naam Communio verschijnt, moet derhalve vooral het spreken over God gaande houden en verdiepen, het spreken over de Drieëne God, zijn openbaring in de heilsgeschiedenis van het Oude en Nieuwe Verbond, te midden waarvan de menswording van de Zoon, het God-met-ons-zijn staat. Het moet van de Schepper spreken en van de Verlosser, van de godgelijkenis en van de zonde van de mens; het moet de eeuwigheidsbestemming van de mens voor ogen houden en zo met de theologie een antropologie ontvouwen die naar de wortels gaat. Het moet het woord Gods tot een antwoord voor de mensen maken. Dit betekent: het mag niet binnen de kring van de vaklieden, de theologen en de “kerkmakers” blijven, die zich van de ene zitting naar de andere haasten en daarbij hun misnoegdheid over de Kerk bij zichzelf en anderen versterken. Een vanuit communio denkend tijdschrift mag zulke groepen niet hun ideologie en hun recepten aan de hand doen, maar het moet naar de vragende en zoekende mensen toegaan en in gesprek met hen het licht van Gods woord zelf nieuw leren ontvangen. We zouden ook kunnen zeggen: het moet in de juiste zin van het woord missionair zijn. Europa staat vandaag op het punt, opnieuw heidens te worden. Maar onder deze nieuwe heidenen is er ook een nieuwe honger naar God. Vaak wordt verkeerd op die honger gereageerd. Zeker wordt hij niet gestild door “kerkdromen” en evenmin door een Kerk die in discussies zichzelf nieuw creëren wil. Soms neemt men liever zijn toevlucht tot het esoterische, het magische, daar, waar de sfeer van het mysterie, van het totaal andere schijnt open te gaan. Geloof is niet de zelfbevestiging van enkelen, die daar tijd voor hebben, maar de gave van het leven, en als zodanig moet het opnieuw herkenbaar worden.

Voordat we besluiten, moeten we nog even spreken over twee dimensies van communio, die we tot nu toe nog niet hebben aangeraakt. Reeds in de vóórchristelijke literatuur had koinonia-communio in de eerste plaats met God, respectievelijk de goden te maken, maar dan concreet met de mysteries, die de godsgemeenschap overdragen7. Daarmee was voor het christelijk taalgebruik de weg bereid. Communio is eerst een theologisch, dan echter ook verregaand een sacramenteel en juist daarom ook een ecclesiologisch begrip. Ze is gemeenschap met het Lichaam en Bloed van Christus (b.v. 1 Kor. 10,16). Hier verkrijgt het geheel zijn volle concreetheid. Allen eten het ene brood en worden zo zelf een. “Ontvang wat gij zijt”, zegt Augustinus daarbij, en hij gaat ervan uit dat door de sacramenten het zijn van de mens wordt ingesmolten in en omgesmolten tot de gemeenschap met Christus. Kerk is alleen maar helemaal zichzelf in het sacrament, waar zij zich aan Hem en Hij Zich aan haar overdraagt en haar steeds nieuw creëert – haar, als Degene die in de onderste diepten van de aarde en van het mens-zijn is neergedaald, steeds nieuw de hoogte in voert. Hier kon nu over de hiërarchische dimensie en nog eens over de traditie als groei in identiteit gesproken worden. Vooral wordt hier ook zichbaar wat katholiek-zijn betekent. Op elke plaats is de Heer helemaal, maar dat wil ook zeggen dat allen te zamen slechts de éne Kerk zijn, dat juist de vereniging van de mensheid de essentiële bestemming van de Kerk is. Want “Hij is onze vrede”. “In Hem hebben wij beiden in één Geest toegang tot de Vader” (Ef. 2, 14-18). Van daaruit heeft Hans Urs von Balthasar het groepswezen krachtig afgewezen. Eerst herinnert hij eraan dat “de kerkelijke gemeenschap tegenwoordig aan zeer velen alleen nog als een skelet van instellingen voorkomt” en daarmee “de kleine groep … steeds meer tot criterium van kerkelijke vitaliteit wordt. Kerk als katholiek-universeel verstaan zweeft voor deze mensen als een los dak boven de verdiepingen die zij bewonen”. Daartegenover stelt hij: “Heel de inspanning van Paulus was erop gericht, de kerkelijke gemeenschap aan de greep van de charismatische ervaring te onttrekken en haar – door het apostolische ambt – boven haarzelf uit op het katholieke te betrekken. Het ambt is weliswaar ‘dienst’ en niet ‘macht’, maar een dienst met de ‘volmacht’ om alle bolwerken die de charismatici tegen de universele communio oprichten, te slopen en ‘aan Christus dienstbaar te maken’ (2 Kor. 10,5). Wie het kerkelijk ambt charismatisch (democratisch) nivelleert, verliest daardoor de beweeggrond die elke speciale opdracht onverbiddelijk, kruisigend boven zichzelf uittilt en verheft tot het niveau van de Catholica, waarvan de eenheidsband niet de ‘ervaring’ (gnosis) is, maar de zich prijsgevende liefde (‘agape’)”8. Dat betekent vanzelfsprekend geen afwijzing van bewegingen en gemeenschappen, waarin Kerk en geloof weer met nieuwe frisheid ervaren worden. In alle crisistijden van de Kerk, waarin de vastgeroeste stucturen niet meer het hoofd konden bieden aan de maalstroom van het algemeen verval, waren zulke bewegingen uitgangspunt van vernieuwing, kracht en wedergeboorte9. Daarbij wordt altijd verondersteld dat ze de opening naar het geheel van de katholiciteit behouden en zich zodoende inschakelen in de eenheid van de traditie. Met het woord agape wordt ten slotte nog eens een wezenlijke dimensie van het begrip communio aangeduid: gemeenschap met God kan niet beleefd worden zonder de reële zorg voor de gemeenschap van de mensen. Derhalve behoort de ethische en de sociale dimensie vanuit het godsbegrip tot het wezen van de communio. Een tijdschrift dat communio als programma heeft, moet zich ook duidelijk opstellen tegenover de grote ethische en sociale problemen van de tijd. Het moet niet aan politiek doen, maar het moet de economische en politieke problemen beschouwen vanuit het licht van het woord Gods, het moet in gelijke mate kritisch en opbouwend zijn.

Ten slotte mag nu ten minste een eerste aanloop tot een gewetensonderzoek niet helemaal achterwege blijven. In hoever is het tijdschrift in de eerste twintig jaar van zijn bestaan aan dit programma trouw gebleven? Dat het zich over dertien taalgebieden verspreid heeft, pleit voor zijn noodzakelijkheid en zijn ruimte van blik, ook als het juiste evenwicht tussen het gemeenschappelijke en het eigene van de afzonderlijke uitgaven nog vaak moeilijkheden meebrengt. Het heeft de grote geloofsthema’s aangepakt: de geloofsbelijdenis, de sacramenten, de zaligheden, om slechts de voornaamste doorlopende reeksen te noemen. Daardoor heeft het stellig veel mensen geholpen, om dichter bij de communio van de Kerk te komen of ook om hun thuis in die Kerk ondanks veel tegenkantingen niet te verliezen. Maar tot zelftevredenheid is er geen aanleiding. In mijn hart brandt de zin van Hans Urs von Balthasar: “Het gaat niet om bravoure, maar wel om de moed zich duidelijk en kwetsbaar op te stel- len”. Hebben wij die moed voldoende gehad? Of hebben wij ons toch niet liever achter theologische geleerdheid verscholen en al te zeer trachten te tonen dat ook wij bij de tijd zijn? Hebben wij werkelijk het godswoord begrijpelijk en hartveroverend tot een hongerende wereld gericht, of zijn wij meestal gebleven binnen de kringen van hen die in hun vaktaal elkaar de bal toespelen? Met deze vragen zou ik willen eindigen. Ze zijn tegelijk mijn wens voor de volgende twintig jaar Communio.

Dit artikel is verschenen in:

Show 9 footnotes

  1. Zie Kerkelijke Documentatie 20(1992), nr. 8, p. 11-18. Vgl. ook nr. 10, p. 13-14, over het Communio-congres aan de Gregoriana.
  2.  Commentaar op de psalmen, 36, 23 PG 17,133 B; Duitse vertaling in de door H.U. von Balthasar heruitgegeven bloemlezing: Origines, Geist und Feur, Einsiedeln – Freiburg 19913; tekst 185, p. 115.
  3.  “Communio – ein Programm”, in: IKZ Communio 1(1972), p. 17. Vgl. de Nederlandse versie: “Communio – een programma” (een samenvatting van het Duitse artikel), in: Communio (NL) 1 (1976), p. 8.
  4. De uit de Bijbel afkomstige juiste betekenis van het begrip “Gods volk” heb ik trachten uit te leggen in mijn boek Kirche, Ökumene und Politik, Einsiedeln 1987, p. 22-27, en, meer beknopt, ook in het kleine boekje Zur Gemeinschaft gerufen, Freiburg 1991, p. 27-30.
  5. Vgl. Zur Gemeinschaft gerufen, p. 70-97. Ik verwijs hier ook naar het schrijven van de Congregatie voor de geloofsleer aan de bisschoppen over “Enkele aspecten van de kerkelijke communio”, Vatikaanstad 1992 (zie Kerkelijke Documentatie 20 (1992), nr. 8).
  6. G. Muschalek, Kirche – noch heilsnotwendig? Ober das Gewissen, die Empörung und das Verlangen, Tiibingen 1993. Dit kleine boekje biedt een analyse en diagnose van de hedendaagse kerkkritiek, die het overwegen waard is.
  7. De belangrijkste gegevens vindt men bij W. Bauer, Worterbuch Zum Neuen Testament, Berlin 19585, trefwoorden koinoneo, koinonia, koinonos, 867-870.
  8. Op. cit. (noot 3), p. 15; NL p. 8.
  9. Dat komt helder aan het licht in het boek van B. Hubensteiner, Vom Geist des Barock, Miinchen 19782, vooral p. 58-158; vgl. ook P.J. Cordes, Mitten in unseres Welt. Kräfte geistlicher Erneuerung, Freiburg 1987.